Welke maatregelen kunnen leerkrachten treffen om kansarme kinderen hun welbevinden te verhogen ti...

Começar. É Gratuito
ou inscrever-se com seu endereço de e-mail
Welke maatregelen kunnen leerkrachten treffen om kansarme kinderen hun welbevinden te verhogen tijdens het vrij spel in de poppenkamer? por Mind Map: Welke maatregelen kunnen leerkrachten treffen om kansarme kinderen hun welbevinden te verhogen tijdens het vrij spel in de poppenkamer?

1. Wat houdt kansarmoede concreet in?

1.1. Soorten kansarmoede

1.1.1. generatiearmoede

1.1.1.1. definitie

1.1.1.1.1. Armoede wordt doorgegeven van generatie op generatie.

1.1.1.1.2. worden geboren in een kansarm gezin

1.1.1.1.3. ze moeten eigenlijk leren overleven

1.1.1.2. minder kansen

1.1.1.2.1. school

1.1.1.2.2. vrienden

1.1.1.2.3. wonen

1.1.1.2.4. gezondheid

1.1.1.3. gevolgen

1.1.1.3.1. hechtingsstoornissen

1.1.1.3.2. ontwikkelen negatief zelfbeeld

1.1.1.3.3. gevoelens

1.1.1.4. zaken die sterk ontwikkeld zijn

1.1.1.4.1. onderlinge solidariteit

1.1.1.4.2. enorm veel hoop voor hun kinderen voor hun toekomst

1.1.1.4.3. hebben een zorgende reflex voor hun kinderen ( niet makkelijk omdat ze het niet geleerd hebben )

1.1.1.4.4. grote draagkracht

1.1.1.4.5. humor en relativeringsvermogen

1.1.1.4.6. overlevingsvaardigheden

1.1.1.4.7. creativiteit

1.1.1.4.8. rechtuit zijn

1.1.2. langdurig werklozen

1.1.2.1. Armoede door omstandigheden. (hoge werkloosheidsgraad, laaggeschoold, ...)

1.1.3. alleenstaande ouders

1.1.3.1. Armoede als gevolg van echtscheiding of sterfgeval (van tweeverdieners naar alleenstaand)

1.1.4. zieken of mensen met een handicap

1.1.4.1. Armoede als gevolg van niet kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en afhankelijkheid van de overheid.

1.1.5. gekleurde armen

1.1.5.1. Armoede omwille van immigratie

1.2. Oorzaken van armoede

1.2.1. arbeid

1.2.1.1. hobbelig arbeidsparcour

1.2.1.1.1. hebben van een job biedt in de meeste gevallen nog altijd een goede bescherming tegen inkomensarmoede

1.2.1.1.2. Deze hangen vaak samen met mentaal (on)welbevinden, (laag) zelfvertrouwen en (geringe) levensvreugde.

1.2.1.2. precaire arbeidsmarktsituatie

1.2.1.3. staat - soms al langere tijd - buiten het arbeidsmarktcircuit

1.2.1.4. functie's arbeid

1.2.1.4.1. het hebben collectieve doelen, status en activiteiten.

1.2.1.4.2. structeren van tijd

1.2.1.4.3. sociaal contact

1.2.1.4.4. inkomen

1.2.2. gezin

1.2.3. wonen

1.2.4. vrije tijd

1.2.5. gezondheid

1.3. gevolgen kansarmoede

1.3.1. arbeid

1.3.2. gezin

1.3.3. wonen

1.3.4. vrije tijd

1.3.5. gezondheid

1.4. cijfers kansarmoede

1.5. Welke doelgroep heeft het meeste kans?

1.6. kringloop van armoede

1.7. wat zijn de gevolgen voor kinderen in armoede?

1.8. opgroeien in armoede; bron : DIVA

1.8.1. hoe jonger een kind opgroeit in armoede hoe groter de gevolgen zijn voor de verdere ontwikkeling

1.8.2. heeft een negatieve invloed op zeer veel vlakken

1.8.2.1. cognitief

1.8.2.2. affectief

1.8.2.3. sociale ontwikkeling

1.8.2.4. fysieke en mentale toestand

1.9. wat zijn de signalen van armoede?

1.10. Wat is kansarmoede?

1.10.1. Kansarmoede is een toestand waarbij mensen beknot worden in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaarde goederen, zoals onderwijs, arbeid, huisvesting. Het gaat hierbij niet om een eenmalig feit, maar om een duurzame toestand die zich voordoet op verschillende terreinen, zowel materiële als immateriële. KIND EN GEZIN

2. Hoe kan je een kind in kansarmoede herkennen tijdens rollenspelen?

2.1. hoe merk je een kansarm kind op in de klas? KLASSE- kleuters in armoede

2.1.1. ontwikkeling die later tot stand komt dan bij andere kinderen

2.1.1.1. zeer weinig variatie in spel

2.1.1.2. kunnen zich niet lang concentreren op een werkje

2.1.1.3. gebruiken veel minder woorden

2.1.1.4. het kribbelen gaat veel langzamer over in het echt tekenen

2.1.1.5. waar komt deze achterstand vandaan?

2.1.1.5.1. thuis hebben de kinderen vaak geen speelgoed

2.1.1.5.2. kinderen groeien op in een niet goed milieu

2.1.1.5.3. onzekerheid en stress door invloed van de ouders

3. Hoe uit zich het welbevinden van een kansarme kleuter in de klas?

3.1. Wat is welbevinden?

3.1.1. het kind zit goed in zijn vel

3.1.2. het zorgt ervoor dat kinderen energie hebben

3.1.3. het zorgt ervoor dat kinderen zich openstellen voor het leren

3.1.4. Een kind voelt zich goed in zijn vel

3.1.5. de creativiteit en competenties zullen zich verder ontwikkelen

3.1.6. Laevers, F., Jackers, I., Menu, E. & Moons, J. (2014). Ervaringsgericht werken met kleuters in de basisschool – herziene versie. Averbode: CEGO Publishers

3.1.7. Signalen van welbevinden

3.1.8. De mate waarin de klas en opvoedingscontext aan de basisbehoeften voldoen van het kind

3.2. Signalen van een goed welbevinden

3.2.1. Genieten

3.2.1.1. Tevredenheid

3.2.1.2. Genieten met volle teugen zonder terughoudendheid

3.2.1.3. Deugd hebben van elkaar en de dingen rondom het kind

3.2.2. Spontaniteit en zichzelf durven zijn

3.2.2.1. Ze komen uit hun schulp

3.2.2.2. In de meeste situatie's jezelf durven zijn

3.2.3. Openheid

3.2.3.1. Je laten raken als er iets gebeurt

3.2.3.2. Zonder angst, aarzeling en bedreiging ingaan op activiteiten

3.2.3.3. Ontvankelijk zijn

3.2.3.3.1. Omgeving laten binnenkomen en tot je laten doordringen

3.2.4. Ontspanning en innerlijke rust

3.2.4.1. Geen verkrampte spieren

3.2.4.2. Geen tics of grimassen

3.2.4.3. Geen onrust of stress te zien in de gelaatsuitdrukking

3.2.5. Vitaliteit

3.2.5.1. Energie

3.2.5.2. Levenslust

3.2.5.3. Levendige blik

3.2.5.4. Expressief gelaat

3.2.5.5. Stralen

3.2.5.6. Openbloeien

3.2.5.7. Een zekere trots uitdrukken

3.3. De Leuvense welbevinden schaal

3.3.1. Wat is de Leuvense welbevinden schaal?

3.3.2. Niveau 1: zeer laag

3.3.2.1. Bedrukt of verdrietig kijken

3.3.2.2. Huilen of roepen

3.3.2.3. Geen reactie op de omgeving, contact vermijden zich terugtrekken

3.3.2.4. Een gejaagde indruk

3.3.2.5. Onzeker of angstig

3.3.2.6. Boos zijn, dingen stukmaken, anderen pijn doen

3.3.3. Niveau 2: laag

3.3.3.1. De signalen zijn minder uitgesproken of van kortere duur dan bij niveau 1.

3.3.4. Niveau 3: matig

3.3.4.1. Weinig tot geen emotie's

3.3.4.2. Onverschillig

3.3.4.3. Aanwijzingen voor positieve of negatieve gevoelens zijn beperkt of wisselen elkaar af.

3.3.4.4. Contacten met anderen zijn eerder oppervlakkig.

3.3.5. Niveau 4: hoog

3.3.5.1. De signalen zijn minder uitgesproken of van kortere duur dan bij niveau 5.

3.3.6. Niveau 5: zeer hoog

3.3.6.1. Blij en opgewekt

3.3.6.2. Spontaan, kan zichzelf zijn en toont zelfvertrouwen

3.3.6.3. Ontspannen

3.3.6.4. Geen signalen van stress

3.3.6.5. Stralende blik, toont levenslust, reageert energiek

3.3.6.6. Stelt zich open voor de omgeving

3.4. welke factoren hebben een invloed op het welbevinden?

3.5. Kenmerken van een kansarm kind in de klas

3.6. Welbevinden is een voorwaarde voor betrokkenheid

3.6.1. Als het welbevinden niet goed is dan zal de betrokkenheid ook dalen, minderen.

3.6.2. Wat is betrokkenheid?

3.6.2.1. Belevingswijze bij een activiteit of aanbod

3.6.3. Betrokkenheid ontstaat wanneer:

3.6.3.1. De activiteit aansluit bij de exploratiedrang

3.6.3.2. De activiteit zich aan de grens van de individuele mogelijkheden situeert.

3.6.4. Leuvense betrokkenheidsschaal Laevers , F. (3092019). Ervaringsgericht werken in het basisonderwijs met kleuters (Herz. ed. druk). Tielt, België: Lannoo.

3.6.4.1. Wat is de Leuvense betrokkenheidsschaal?

3.6.4.1.1. Instrument voor betrokkenheid te observeren en registreren. ( systematisch en betrouwbaar )

3.6.4.1.2. Bestaat uit 2 delen.

3.7. Waar hebben kansarme kinderen nood aan, zodat het welbevinden zal stijgen?

3.7.1. Respect

3.7.2. aandacht

3.7.3. Veiligheid

3.7.4. Genegenheid

3.7.5. Begrip

3.8. Hoe ontstaat welbevinden?

3.8.1. Er wordt tegemoet gekomen aan de basisbehoeften.

3.8.1.1. Wat zijn de 6 basisbehoeften? Volgens Groot worden

3.8.1.1.1. Behoefte aan affectie, warmte en tederheid

3.8.1.1.2. Lichamelijke behoeften

3.8.1.1.3. Behoefte aan veiligheid, duidelijkheid en continuïteit

3.8.1.1.4. Behoefte aan erkenning, aan iemand zijn in de ogen van een ander

3.8.1.1.5. Behoefte om zichzelf als kundig te ervaren

3.8.1.1.6. Behoefte om moreel in orde te zijn

3.8.2. Kinderen hebben positief zelfbeeld

3.8.3. Kind is in voeling met zichzelf

3.9. Hoe kan het welbevinden verhoogd worden?

4. Welke risicofactoren kunnen een invloed hebben op het welbevinden van kansarme kleuters?

4.1. Wat zijn risicofactoren?

4.1.1. momenten waarin ze zich niet gelukkig voelen, niet goed in hun vel zitten, niet genieten, niet actief zijn, zich niet aangesproken voelen.

4.2. de eerste schooldagen; omgaan met kansarmoede in de basisschool Ferre Laevers en welzijnszorg

4.2.1. geen vakantieervaringen

4.2.1.1. ze worden uitgesloten omdat ze geen boeiende vakantie ervaringen hebben in de ogen van de rijkere kinderen

4.2.1.1.1. Ze gaan zich sociaal isoleren

4.2.2. andere kinderen nieuwe kleren, spullen,..

4.2.2.1. ze voelen dubbel zo hard aan hoe het voelt om minder te hebben

4.2.3. drink en eetmomenten

4.2.3.1. ouders kunnen niet betalen voor allemaal lekkere koekjes, fruit

4.2.3.1.1. ze hebben soms niks mee van thuis en moeten kijken hoe anderen eten en drinken

4.3. Leerinhouden (lesonderwerpen, projectthema’s) en werkvormen

4.3.1. leerinhouden algemeen

4.3.1.1. voor hen soms onherkenbaar of zelfs vreemd

4.3.1.2. ze vormen geen klankbord voor hetgeen zij ervaren en beleven

4.3.1.3. voor hen biedt het vaak geen identificatie

4.3.1.4. op school wordt er vaak op sociaal en culturele bagage gewerkt.

4.3.2. activiteiten waarbij taal een rol speelt

4.3.2.1. momenten waarbij redeneren, bevragen, reflecteren, rapporteren en fantaseren aan bod komt is moeilijk te vatten voor deze kinderen ( Niet goed uitgebouwd )

4.3.2.2. Luisteren naar leerkracht, medeleerlingen tijdens kringgesprekken, onthaalgesprekken, klassikale instructiemomenten verloopt soms moeilijk

4.3.2.3. Ze hebben zeer weinig woordenschat, taalstructuren om zich te kunnen uitdrukken

4.3.2.4. Bij talige activiteiten daalt hun betrokkenheid en welbevinden

4.3.2.4.1. er ontstaat storend gedrag

4.3.2.4.2. gaan zich afwezig houden

4.3.2.4.3. worden zeer stil

4.3.2.4.4. ze uiten niet wat hen bezighoudt of wat er in hen leeft

4.3.3. materialen van thuis meebrengen

4.3.3.1. Wordt vaak gevraagd binnen een thema

4.3.3.1.1. Hebben deze materialen niet thuis

4.3.3.1.2. Ze kunnen niet voor de spullen betalen

4.3.3.1.3. Ze kennen deze materialen niet altijd

4.3.3.2. knuffels, prenten, ingrediënten, timmermateriaal, speelgoed,...

4.4. geldophaling

4.4.1. Hangt af hoe deze ophalingen worden georganiseerd

4.4.1.1. valt het voor de andere kinderen op dat het kind niet kan betalen of geen geld bijheeft?

4.4.1.2. gaat de leerkracht hier discreet mee om?

4.4.1.3. Worden de ouders aangesproken in de rij?

4.5. drink en eetmomenten

4.5.1. eten vaak niet gezond of zeer weinig

4.5.2. ze hebben soms niks bij omdat ze er niet voor kunnen betalen

4.5.2.1. ze moeten toekijken hoe andere kinderen lekkere dingen kunnen eten

4.5.3. ze hebben soms wel iets bij maar in een zeer kleine hoeveelheid

4.6. speelplaats

4.6.1. Op deze plaats komen heel wat gevoelens, ervaringen die in de klas niet uiting kwamen naar boven

4.6.1.1. een ene groep is ontladend, vechtlustig, agressief

4.6.1.2. een andere groep gaat dan weer wegkruipen, vereenzamen en vermijden het contact met anderen

4.6.2. pesten

4.6.2.1. Ze worden gepest

4.6.2.1.1. Soms worden ze gepest omwille van hun voorkomen

4.6.2.1.2. omwille van hun taal

4.6.2.1.3. worden lastig gevallen met roddels over hun familie

4.6.2.2. Ze gaan zelf pesten

4.6.2.2.1. Ze gaan stoer gedrag hanteren

4.7. uitstappen

4.7.1. gaan zeer vaak niet mee of willen zelfs niet mee

4.7.1.1. door geldgebrek

4.7.1.2. niemand wil bij hen zitten

4.7.1.3. geen vrienden om mee te spelen

4.7.1.4. geen extra zakgeld om iets te kopen

4.7.1.5. andere leefgewoontes kunnen naar boven komen

4.7.1.6. zijn het niet gewend om uitstappen te doen

4.8. contactavond en contactmomenten met de ouders

4.9. rapporten en uitslagen van testen ( toetertjes )

4.10. terug op school zijn na een vakantie of weekend

4.10.1. Ze hebben lang in een soort andere wereld geleefd

4.10.1.1. Hierdoor brengen ze vaak negatieve ervaringen mee naar school of krijgen geen plaats in de klas

4.10.1.1.1. conflicten binnen het gezin

4.10.1.1.2. te weinig slaap

4.10.1.1.3. andere gewoonten en afspraken

4.10.1.1.4. een ander dagritme

4.10.1.1.5. ze moeten terug wennen aan structuur

4.11. sociale component

4.11.1. een spel of werkvriendje kieszen

4.11.1.1. om samen in de rij te staan

4.11.1.2. om samen een opdracht uit te voeren

4.11.1.3. om samen een kleedhokje te delen in het zwembad

4.11.1.3.1. worden vaak niet gekozen

4.11.1.4. om een spel te spelen

4.11.1.5. om als meter of peter te krijgen

4.11.2. conflicten en ruzie's

4.11.2.1. ze worden vaak gepest

4.11.2.1.1. omdat ze als onhandelbaar en agressief worden beschouwd

4.11.2.2. ze willen van zich afbijten door zelf te pesten

4.11.2.2.1. ze gebruiken agressief gedrag

4.11.2.2.2. voelen zich meer geviseerd dan anderen

4.11.2.3. manier waarop ze conflicten oplossen

4.11.2.3.1. worden hierdoor minder geliefd en worden vervolgens vaak als schuldige bestempeld

4.11.3. afspraken

4.11.3.1. deze zijn vaak niet hetzelfde als bij hun thuis

4.11.3.2. Op sociaal vlak gelden vaak ook andere gedragsregels

4.11.3.2.1. hebben geen zicht op afspraken en regels die als vanzelfsprekend lijken omdat ze niet weten hoe het echt moet

4.11.3.2.2. Het zwijgen als een volwassene iets zegt

4.11.3.2.3. zelf initiatief nemen in de praatronde

4.11.3.2.4. terugslaan als je wordt gepest is het tegenovergestelde als erover praten

4.11.3.2.5. stilzitten, braaf zijn en je niet verroeren is het tegenovergestelde dat er bij vrij spel wordt verwacht

4.11.4. feesten op school

4.11.4.1. feesten in het algemeen

4.11.4.1.1. voor deze gezinnen vaak pijnlijke momenten denk maar aan kerstmis, Sinterklaas,...

4.11.4.2. soorten feesten?

4.11.4.2.1. verjaardag

4.11.4.2.2. schoolfeest

4.12. turnen en watergewenning

4.12.1. verzinnen vaak redenen om niet te moeten zwemmen

4.12.1.1. verkouden zijn

4.12.1.2. ziek zijn

4.12.1.2.1. echte redenen zijn

4.12.1.3. zwemgerief vergeten

4.13. Informatie-uitwisseling tussen school en ouders (brieven/mondeling)

5. Hoe verloopt de sociaal - emotionele ontwikkeling van een kleuter in kansarmoede?

5.1. Wat is sociaal-emotionele ontwikkeling?

5.2. Vanaf de geboorte leeft het kind in een klimaat dat een goede sociaal- emotionele ontwikkeling belemmert

5.3. Al op 1 jaar een maand achterstand 22% heeft gedragsproblemen (heeft zorgen, is bang, wordt gepest, is overactief, heeft moeite om zicht te concentreren) Langdurige, diepgaande armoede-ervaringen OCMW gENT zegt over achterstand hetzelfde als de koning...

6. Hoe treedt een kansarme kleuter in interactie met een rijkere kleuter?

7. Welke materialen zijn er aanwezig in een poppenkamer?