Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
COVID-19 Door Mind Map: COVID-19

1. Vitale functies á 4 uur controleren en actie ondernemen op afwijkende controles (hoge EWS score), in opdracht van de arts mogelijk extra vocht toedienen wanneer de urineproductie te weinig is en/of lage bloeddruk.

2. Wat roept een veranderende situatie, door COVID-19, op?

2.1. Collega's

2.1.1. Positiviteit

2.1.1.1. Samenhorigheid

2.1.1.2. Vertrouwen

2.1.1.3. Gedrevenheid

2.1.2. Negativiteit

2.1.2.1. Angst

2.1.2.2. Paniek

2.1.2.3. Onzekerheid

2.1.2.4. Machteloosheid

2.1.2.5. Eenzaamheid

2.1.3. Weerstand bij verandering

2.1.3.1. WWK-model Weten: Als collega's weten wat er veranderd en waarom, wordt de noodzaak ervan ingezien en is er minder onzekerheid of onmacht aangezien er duidelijkheid verschaft wordt. Willen: Als collega's vertrouwen hebben in de verandering is er meer bereidheid tot veranderen. Kunnen: De kennis en wil is er, vervolgens is er kennis nodig om de verandering te kunnen waarborgen (Vavia, z.d.).

2.2. Patiënten

2.2.1. Angst

2.2.1.1. Verpleegkundige interventies (Pallialine, 2011):

2.2.1.1.1. Patiënt uitnodigen om over gevoelens te praten door gevoelsreflectie te geven

2.2.1.1.2. Rustige- en open houding aannemen

2.2.1.1.3. Patiënt (proberen) geruststellen

2.2.1.1.4. Consultatief psychiatrisch verpleegkundige (CPV) consulteren op toestemming van patiënt

2.2.2. Machteloosheid

2.2.3. Onmacht

2.2.4. Boosheid

2.2.5. Frustratie

2.2.6. Eenzaamheid

2.3. Mijzelf

2.3.1. Positieviteit

2.3.1.1. Gedrevenheid

2.3.1.2. Betrokkenheid

2.3.1.3. Dankbaarheid

2.3.2. Negativiteit

2.3.2.1. Onmacht

2.3.2.2. Onzekeheid

2.3.2.3. Angstig

2.3.2.4. Spanning

2.3.3. Cirkel van invloed en betrokkenheid toepassen (Coach Center, z.d.).

2.3.3.1. Betrokkenheid

2.3.3.1.1. Verandering binnen het ziekenhuis

2.3.3.1.2. Dienstrooster veranderd in twaalf uursdiensten

2.3.3.1.3. Collega's en patiënten

2.3.3.2. Invloed

2.3.3.2.1. Leiderschap tonen door mijn zorgen rondom werkrooster en privé bij de personeelsplanning uit te spreken.

2.3.3.2.2. Mijn eigen grenzen aangeven

2.3.3.2.3. Op tijd pauzeren en rust nemen

2.3.3.2.4. Loslaten van waar ik geen invloed op kan uitoefenen

3. Afwijken van richtlijnen

3.1. Er werd gestart met palliatieve sedatie bij een patiënt. De richtlijnen geven aan dat er geen bezoek ontvangen wordt in de ziekenhuizen. Echter in goed overleg (met infectiepreventie en beveiliging) heb ik besloten om een paar familieleden toe te laten zodat zij afscheid konden nemen van hen naaste.

3.2. Als verpleegkundige ben ik één keer van de richtlijnen rondom COVID-19 afgeweken. Dit vanuit de wensen van de patiënt en mijn professionele/morele afwegingen.

3.2.1. Ik ben van de richtlijn afgeweken omdat ik het als 'onmenselijk' beschouwde om nauw betrokken familieleden geen afscheid te laten nemen van hun dierbare. Hierbij denk ik terug aan hoe ik zelf dit zou ervaren. Ik zou het zelf vreselijk vinden als ik geen afscheid mocht nemen van een dierbare.

4. Taken van regieverpleegkundige overnemen/verpleegkundig leiderschap

4.1. Lalleman en Vermeulen (2018) omschrijven verpleegkundig leiderschap als een daadkrachtige en multidisciplinaire samenwerking zowel met patiënt en familie. Het uitoefenen van invloed op zowel op de werkvloer aan bed bij de patiënt, als op organisatorisch niveau en hierbuiten. Hierdoor wordt zorg op maat geboden waarbij vakbekwaamheid het uitgangspunt is.

4.2. Deelnemen aan overleg met de apothekersassistent omtrent plaatsing computer en VTGM

4.2.1. Doel: Het opvolgen van de richtlijnen van 1,5 meter afstand Veiligheid waarborgen Effectief en efficiënt werken

4.3. Het maken van een 'blokplanning' voor de volgende dag

4.3.1. Doel: Ervoor zorgen dat elke collega weet waar hij werkt. Dit voorkomt veel regelwerk bij aanvang van de dienst en zorgt weer voor continuïteit van zorg

4.4. Coördineren van overplaatsing tussen afdelingen en tussen andere ziekenhuizen in Nederland

4.4.1. Doel: Continueren van zorg.

4.5. Coördineren van spoedopnames op de afdeling. Kijkend naar waar de opname te plannen en dit kortsluiten met de desbetreffende verpleegkundige.

4.6. Meedenken in het vrijgeven van diensten in verband met weinig patiëntencapaciteit op de afdeling.

4.7. Afdelingsvoorraden checken en zo nodig bij bestellen

4.8. Bij regieverpleegkundigen aantal keer vragen om taken over te nemen/me aanbevolen houden om taken van hen over te nemen

4.9. Initiatief nemen tot 'regiesein' bij me houden en zo nodig regietaken over te nemen.

4.10. Dagevaluatie voorzitten

5. Deskundigheidsbevordering

5.1. Het volgen van een klinisch les gegeven door de longarts over COVID-19 en het toedienen van zuurstof.

5.2. Het inwerken/regisseren van een tweede schil verpleegkundige. Deze verpleegkundige stond een aantal diensten aan mij gekoppeld.

5.2.1. Kleine rondleiding over de afdeling zodat de medewerker weet waar zij alles kan vinden.

5.2.2. Meekijken bij het uitvoeren van verpleegtechnische handelingen. De medewerker heeft een verpleegkunde achtergrond maar in haar huidige werk voerde zij (bijna) geen verpleegtechnische handelingen uit waardoor zij zich niet meer bekwaam voelde. Ik instrueerde de handelingen en keek vervolgens mee hoe zij deze uitvoerde.

5.2.3. Terugkoppeling naar regieverpleegkundigen geven omtrent tweede schil

5.2.4. Aansturen en delegeren. Ik ging bij aanvang van de dienst met haar in gesprek over wat haar verwachtingen vanuit mij zijn. Ze gaf aan dat ze het prettig vond als ik haar aangaf wat zij kan doen zodat zij dit uit kan voeren.

5.2.4.1. Na afloop heb ik de verpleegkundige kort feedback gevraagd: hoe heeft ze gewerkt (met mij) en zijn er dingen waar je tegen aan liep.

6. Klinisch redeneren

6.1. Wat is COVID-19? (Parvical, z.d.).

6.1.1. Lucht gaat vanuit de mond richting de luchtpijp. De luchtpijp vertakt zich in twee longen waarna deze zich in allemaal takken (bronchiën)verspreiden. De lucht eindigt uiteindelijk in de longblaasjes. De longblaasjes geven de ingeademde zuurstof af aan het bloed. Het bloed brengt het zuurstof naar de organen en alle delen in het lichaam. Het proces van inademen, tot zuurstof naar organen brengen duurt zeven seconden. Bij luchtweginfecties veroorzaakt door COVID-19 zwelt het slijmvlies in de bronchiën op waardoor er meer slijm wordt aangemaakt, hierdoor begint een patiënt met hoesten. In ernstigere gevallen kan zelfs het longweefsel zelf aangetast worden. Bij COVID-19 raken de longblaasjes ook ontstoken. Hierdoor kan er minder zuurstof worden opgenomen waardoor patiënten benauwd raken en gaan hoesten.

6.2. Risicofactoren

6.2.1. • Ouderen > 70 jaar • chronische afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen; • chronische hartaandoeningen; • diabetes mellitus; • ernstige nieraandoeningen die leiden tot dialyse of niertransplantatie; • verminderde weerstand tegen infecties • Leveraandoeningen; • morbide obesitas (BMI > 40); (RIVM, z.d.).

6.3. Symptomen & interventies

6.3.1. A » Airway

6.3.1.1. Hoesten ten gevolge van slijm in de luchtweg. Ik let hierbij op een piepende ademhaling (stridor) en of er geen losse elementen in de luchtpijp/keel zitten.

6.3.1.1.1. De patiënt stimuleren tot hoesten

6.3.2. B » Breathing

6.3.2.1. Kortademigheid, snelle ademhalingsfrequentie (>20 per minuut), gebruik maken van de hulpademhalingsspieren, cyanose, lage saturatie

6.3.2.1.1. De patiënt zoveel mogelijk recht op laten zitten zodat de longen goed ontplooien en er maximale uitwisseling in de longvelden plaats vindt, geven van een triflo waardoor patiënten de ademhaling kunnen trainen, zuurstof toedienen via neusbril, kapje of non-rebreathing masker.

6.3.3. C » Circulation

6.3.3.1. Tachycardie, minder urineproductie door lage bloeddruk en minder vochtintake, klam/transpireren, grauwe bleke huid, hoge of juist lage bloeddruk

6.3.4. D » Disability

6.3.4.1. Verminderd bewustzijn, verwardheid door zuurstofstapeling of koorts

6.3.4.1.1. Controle van bewustzijn en bij verwarde patiënten de DOS-score afnemen. O2 stapeling is te meten door middel van een bloedgas te prikken.

6.3.5. E » Exposure

6.3.5.1. Koorts, verminderde eetlust

6.3.5.1.1. Voedings- en vochtintake monitoren en zo nodig de diëtiste consulteren, temperatuur observeren.

7. Reflectie

7.1. Trots en voldoening

7.1.1. Terugkijkend naar mijn ontwikkeling van een paar maanden geleden en nu, vind ik dat ik gegroeid ben: Ik stel me onderzoekend op en neem regelmatig de leiderschapsrol aan. Ik voel me steeds meer een (bijna) hbo-verpleegkundige

7.1.2. Ondanks gevoel van angst toch op de corona afdeling werkzaam (geweest)

7.1.3. Mijn steentje bijgedragen voor de patiënt. Patiënten voelden zich enorm angstig en eenzaam, toch uitten zij en families heel veel waardering naar mij/verplegend personeel. Voor patiënten heb ik, ondanks de beschermende kleding en daardoor de afstand, toch ervoor gezorgd dat zij zich vertrouwd voelden en er toch korte 'band' opgebouwd werd. Ik had juist het gevoel dat dit meer is, dan in normale tijden.

7.1.4. Ondanks de beschermende kleding toch goed weten te communiceren met patiënten en familieleden. Ze voelde zich evengoed gesteund in deze heftige periode.

7.2. Vooruitgang geboekt

7.2.1. Mezelf positief kritisch opgesteld om de kwaliteit van zorg op de afdeling te verbeteren/waarborgen, ook in gesprek gegaan met collega's die hier voor mijn gevoel minder voor open zouden staan

7.2.1.1. De volgende keer ga ik deze stap makkelijker aan door vooraf geen invulling te geven voor de ander, hiermee maak ik het mezelf onnodig 'lastig'.

7.3. Volgende keer anders doen

7.3.1. De volgende keer zou ik meer de cirkel van invloed en betrokkenheid toepassen. Ik merkte bij mezelf dat de coronasituatie aan het begin veel innerlijke onrust met zich meebracht. Door de volgende keer meer onderscheid te maken tussen invloed en betrokkenheid kan ik een stukje rust voor mezelf creëren.

8. Door de COVID-19 periode heb ik niet alles kunnen laten zien, wat ik kan/'in huis' heb. Na PL4 houdt het leren en ontwikkelen niet op, ik wil mezelf verder ontwikkelen tot regieverpleegkundige. Dit door:

8.1. Deel te nemen aan de 'werkgroep' dagstart

8.1.1. Input geven in deze werkgroep over hoe de dagstart vorm gegeven kan worden

8.1.2. Evaluatie van de 'pilot' plannen

8.2. Op de afdeling is de laatste periode een 'negatieve' sfeer. Bij het doorvoeren van 'veranderingen' is er daardoor nóg meer kans op weerstand/negativiteit. Door mijzelf positief op te stellen/uit te drukken en collega's meenemen in het veranderproces waardoor ze zich meer betrokken voelen en er mogelijk meer positiviteit gecreëerd kan worden

8.3. Regelmatig de dagevaluatie (en straks de dagstart) voorzitten

8.3.1. Hierbij ook doorvragen naar factoren die ervoor gezorgd hebben dat een dag minder goed verliep (personeel, verstoringen of zorgzwaarte) en daarbij ook het team prikkelen om na te denken over mogelijke oplossingen om dit een volgende keer te voorkomen

8.4. De rol van regieverpleegkundige op me nemen

8.4.1. Initiatief nemen om van rol te 'ruilen'

8.5. Deelnemen aan overleggen met bijvoorbeeld andere disciplines, beroepsbeoefenaren of afdelingen.

8.6. Deelnemen aan werkgroep over het inzetten van het Poseybed