Industriële Revolutie

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Industriële Revolutie Door Mind Map: Industriële Revolutie

1. Golven in de economie

1.1. dynamisch => golfbeweging

1.1.1. conjuctuur = verandering v/d groei v/d productie op korte termijn

1.1.1.1. Lange termijn = lineaire

1.1.1.2. hoogconjuctuur = groei

1.1.1.2.1. Expansie

1.1.1.2.2. Herstel

1.1.1.3. laagconjuctuur = verlagen

1.1.1.3.1. Recessie = negatieve cijfers

1.1.1.3.2. Crisis

2. OORZAKEN

2.1. Technologishe vooruitgang

2.1.1. verbeterde infrastructuur

2.1.1.1. organisatorishe ontwikkeling

2.1.1.1.1. van huisarbeid tot fabriekarbeid

2.1.1.1.2. economische liberalisme

2.1.1.1.3. vervoer middelen verbeteren

2.1.2. stoommachine

2.1.2.1. effiënter, goedkoper, onafhankelijk

2.2. Bevolkingsgroei

2.3. Vooruitgang van landbouw

2.3.1. meer voedsel door een groter productiviteit

2.3.1.1. bevolkingsgroei

2.3.2. betere hygiene

2.3.2.1. geboortecijfer stijgt

2.3.2.1.1. bevolkingsgroei

2.3.2.2. sterftcijfer daald

2.4. Liberalisme

2.4.1. consumptie stijgt

2.4.1.1. welvaart stijgt

2.5. Kolonies

2.5.1. grondstoffen

2.5.1.1. Europa

2.5.2. goedkoper arbeiders

2.5.3. afzetmarkten

2.5.3.1. producten daar ook verkopen

2.5.3.1.1. consumptie + productie stijgt

3. 2de Industriële Revolutie

3.1. Grote impact op dagelijkse leven

3.1.1. radio, telefoon, auto, enz

3.2. nieuwe energievormen

3.2.1. Petroleum + elektriciteit

3.2.1.1. nieuwe industieën

3.3. schaalvergroting

3.3.1. productieprocess word complexer

3.3.1.1. bedrijven fuseren omdat ze meer K nodig hebben

3.3.1.1.1. Integratie

3.4. productie word efficiënter, altijd beter en sneller

3.5. wetenschappelijker

3.5.1. Taylorisme

3.5.1.1. organisatie van het werk : kleine taken herhalen => specialisatie

4. PRIO

4.1. landbouw staande central

4.1.1. handenarbeid

4.1.1.1. georganiseerd in gilden, ambachten

4.1.1.1.1. monopolisatie

4.1.1.1.2. sterk georganiseerd systeem

4.2. weinig economische groei

4.3. protectionitische en verdeeld landen

4.3.1. minder efficiënt

4.4. standenmaatschappij

4.4.1. postitie is bepaald door je sociale status

4.4.2. belang van adel

4.5. belang van geloof, clerus

5. POLITIEK

5.1. liberalisme

5.2. Marxisme, socialisme

5.3. opkomst van de middenklasse en de proletariaat

5.3.1. verschuiving vanwie de macht houd, van de politieke systemen

6. SOCIAAL-ECONOMISCH

6.1. zoveel winst mogelijk maken

6.1.1. externaliseren van kosten

6.1.2. slechte omstandigheden + lage lonen

6.1.2.1. sterke armoede

6.1.2.2. geen sociale zekerheid, milieuregels, aandacht voor veiligheid/welvaart van de arbeider

6.1.2.3. kinder-/vrouwarbeid noodzakelijk om te overleven

6.1.3. HOE ?

6.1.3.1. vraag is veel groter dan aanbod

6.1.3.2. veel arbeiders voor weinig jobs

6.1.3.2.1. Marxisme

6.2. opkomst van de middenklasse en de proletariaat

6.2.1. verschuiving vanwie de macht houd

6.2.2. toen : adel en grootgrondbezitter nu : middenklasse (zakenmensen)

7. ANTE

7.1. landbouwactiviteit daald

7.2. industriëleactiviteit stijgt

7.2.1. verdwijning van gilden, ambachten

7.2.1.1. ongeorganiseerd systeem

7.2.1.1.1. geen bescherming, niet meer ondersteund, geen socialezekerheid

7.2.1.1.2. onafhankelijk, economische vrede

7.2.2. ontstaan van de proletariaat

7.3. Mechanisering

7.4. streke economische groei

7.4.1. meer winst, meer geld

7.4.1.1. om meer winst te doen moet de econmische groei stijgen

7.5. klassenmaatschappij

7.5.1. status is bepaald door hoe rijk je bent

7.5.1.1. groei van de middeklasse

7.5.2. belang van clerus en adel daald

7.6. rationalisme

7.6.1. geloven in de maakbaarheid van de mensen

7.6.2. de mens kan continue vooruitgaan