casus : kunst-en erfgoed

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
casus : kunst-en erfgoed Door Mind Map: casus : kunst-en erfgoed

1. BKD = leerlingen helpen elkaar in proces

2. meso

2.1. St- Lukas Schaarbeek

2.1.1. profiel

2.1.1.1. nederlanstalige school in Brussel

2.1.1.1.1. digitale taaltoets ( aan het begin schooljaar)

2.1.1.2. Katholiek Onderwijs

2.1.1.2.1. kunsthumaniora

2.1.2. visie school

2.1.2.1. inzicht in vormentaal

2.1.2.1.1. ontwikkeling persoonlijke taal

2.1.2.2. studiewerk + manueel werk

2.1.2.2.1. verwachtingen: voldoende organisatievermogen, openstaan voor oplossingen en kritiek op eigen werk, interesse in beeldend werk te verdiepen door bezoeken musea, culturele manifetaties

2.1.3. onderwijsvorm

2.1.3.1. KSO

2.1.3.2. graad : 1e jaar derde graad

2.1.3.2.1. 2e graad in aanmerking gekomen met kunst tot 17e E ( eventueel stuk 18e)

2.1.3.2.2. veel leerlingen uit andere vooropleiding!

2.1.3.3. studierichting

2.1.3.3.1. vrije beeldende kunsten

2.1.4. doorlichtingsverslag

2.1.4.1. De leerplanrealisatie voldoet niet voor geschiedenis in de eerste graad en in de studierichtingen van de pool 'vorming' van de derde graad, respectievelijk wegens een onvoldoende ‘bronnenwerking’ en omwille van tekorten rond ‘historische vaardigheden’.

2.1.4.1.1. geschiedenis zorgt voor omkadering

3. macro

3.1. onderwijsnet

3.1.1. katholiek onderwijs

3.1.1.1. pedagogische reglementering

3.1.1.1.1. aandacht op persoonlijk werk

3.1.1.1.2. voorbereidingsactiviteiten; – inoefen- en verwerkingsactiviteiten; – onderzoeksactiviteiten; – productgerichte activiteiten; – reflectieactiviteiten; – zelfstudieactiviteiten. Deze opsomming is niet exhaustief.

4. micro

4.1. kunstgeschiedenis

4.1.1. algemene doelstellingen (2) + 3e graad

4.1.1.1. 1 heeft belangstelling voor kunst en participeert actief aan het kunstgebeuren. 2 staat open voor het “oude”, het “nieuwe” en het “onbekende”. 3 ontwikkelt zijn visueel geheugen en zijn beeldend inzicht en vermogen. 4 heeft inzicht in de vormkenmerken van de verschillende stijlstromingen en plaatst deze binnen een (kunst)historische context. 5 legt indien mogelijk verbanden tussen het kunsthistorisch referentiekader en zijn beeldend werk. 6 licht zijn kunstbeleving verbaal toe (rationeel en sensitief) en gebruikt daarbij objectieve criteria en een correct begrippenkader.

4.1.1.1.1. pedagogisch-didactisch

4.1.2. leerling begrijpt manier van observeren niet.

4.1.2.1. observeren

4.1.2.1.1. details

4.1.2.1.2. silhoutte

4.1.2.1.3. textuur

4.1.3. kan geen stijlkenmerken uit elkaar houden.

4.1.4. leerplandoelstellingen

4.1.4.1. duidt stijlkenmerken en leest uit representatieve voorbeelden. + plaatst kunstwerken in (kunst)historische context. + kent en herkent het werk van belangrijke vertegenwoordigers van een stijlperiode. + ontwikkelt een kunsthistorisch perspectief en leert verbanden leggen. + hanteert een correcte terminologie in kunsthistorische context. + hanteert opzoekings- en onderzoeksvaardigheden in kunsthistorische context. + kijkt gericht naar en analyseert kunst met kennis van de beeldtaal en licht rationele en sensitieve aspecten van zijn kunstbeleving verbaal toe. 8 benadert kunst onbevooroordeeld en op een persoonlijke wijze. 9 staat open voor het waardeoordeel van anderen.+ wordt via een aantal opdrachten gestimuleerd om buiten schoolverband met kunst om te gaan.

4.1.4.1.1. aanpak NANO

5. aanpak

5.1. beschrijving

5.2. brainstorm 1e fase

5.3. raadpleging documentatie

5.4. denken - delen - uitwisselen

5.4.1. autonome motivatie

5.5. groeps-onderzoek

5.6. evalueren

5.6.1. PROCES

5.6.2. − Peerevaluatie (leerling-leerling): Bij peerevaluatie beoordelen de leerlingen elkaar. − Co-evaluatie of collaboratieve evaluatie (leerling-leraar) . Bij co-evaluatie creëert men een evaluerende dialoog tussen de leraar en de leerling(en) . . − Zelfevaluatie (leerling): Hierbij evalueert de leerling zichzelf.

5.7. KUNSTBELEVING

5.7.1. om een waardeoordeel te vormen beeldhouwwerk moet je het werk: voelen, zien, context waarin het werk staat..

6. Tutordoelen

6.1. 1) De leerling kan aan de hand van een tijdsbalk het kunstwerk classificeren in een stroming en tijdsperiode.

6.2. 2) De leerling kan de stijlkenmerken van een kunstwerk herkennen en benoemen aan de hand van een getoond voorbeeld.

6.3. 3) De leerling kan een kritisch waardeoordeel vormen van een kunstwerk en hier een onderbouwde reflectie van maken.

6.4. 4) De leerling kan mondeling uitleggen dat de context en omgeving waarin een kunstwerk getoond wordt invloed heeft op de interpretatie van een kunstwerk.

6.5. 5) De leerling kan ervaringsgericht kijken naar een kunstwerk en een onderbouwde mening vormen.