Assessment afstudeerbekwaam

登録は簡単!. 無料です
または 登録 あなたのEメールアドレスで登録
Assessment afstudeerbekwaam により Mind Map: Assessment afstudeerbekwaam

1. Ik

1.1. Hoe sta ik in de studie en hoe doe ik het op het gebied van mijn vak, de vakdidactiek en de beroepsvoorbereiding: het vak geschiedenis heeft altijd mijn grootste passie gehad. Wanneer ik hiermee aan de slag mag ben ik altijd enthousiast. Geschiedenis ligt mij en ik kan er erg goed mee overweg. Tijdens mijn stages stel ik me professioneel op. Ik bereid mijn lessen zorgvuldig voor en ik ben duidelijk in wat de leerlingen kunnen verwachten van mij en mijn lessen. Na 3 jaar deze opleiding en vooral na het schrijven van mijn visie weet ik waarom het vak zo belangrijk is voor het onderwijs en wat ik er leerlingen mee wil bieden. Maar ik kan nog niet met zekerheid zeggen dat het leraarschap mijn eindstadium is

1.1.1. Wat zijn mijn kwaliteiten en valkuilen: mijn kwaliteiten liggen bij goed voorbereiden, plannen en hierdoor zelfvertrouwen uitstralen in de klas. Deze kwaliteiten kunnen ook valkuilen zijn omdat ik het soms moeilijk vind om los te komen van deze strakke planningen.

1.1.1.1. Welke feedback was daarin voor mij belangrijk: tijdens mijn WPL 3 stage moest ik een les geven zonder een planning en een voorbereiding. Zo kon ik erachter komen hoe ik in zo'n situatie toch les kon en moest geven en dus losser kon worden.

1.1.1.1.1. Waarin wil ik me nog verder ontwikkelen: ik wil me verder ontwikkelen in het loskomen van vaste planningen. Natuurlijk is plannen in de meeste gevallen erg goed maar er moet ook ruimte zijn voor een les die gericht is op een gebeurtenis of een persoon om de lessen niet allemaal hetzelfde ritme te geven en af en toe een verdieping.

2. Praktijk

2.1. Hoe functioneer ik in praktijksituatie: tot nog toe verlopen mijn stages altijd erg goed en zijn er geen klachten over mijn functionering binnen een vakgroep of school. Tijdens mijn stages ben ik ten alle tijden goed voorbereid en ben ik op tijd aanwezig. Ook probeer ik me altijd sociaal en assertief op te stellen. Dit zijn kwaliteiten die ik zou waarderen in een medewerker dus houd ik ze aan.

2.1.1. Hoe sta ik tegenover het vak in de klas, tegenover het beroep en tegenover de leerlingen: wanneer ik geschiedenis lesgeef wil ik leerlingen kennis bieden over de verschijnselen, gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen die ons gebracht hebben waar we nu zijn. Een van de belangrijkste functies van dit vak vind ik het leren begrijpen van de wereld om ons heen en hoe die tot stand is gekomen.

2.1.1.1. Welke keuzes maak ik bij het voorbereiden en uitvoeren van mijn lessen: ik heb altijd een digitale presentatie voorbereid om mijn les visueel te ondersteunen. Hierin laat ik de leer- en lesdoelen zien aan de leerlingen. Ook vertel ik meestal even mijn planning. Ik vind het belangrijk om een moment van uitleg/verhaal te hebben en een moment voor een actieve verwerking. Ik laat leerlingen niet altijd werken uit hun boeken maar maak ook vaak een eigen ontworpen verwerkingsopdracht.

2.1.1.1.1. Vanuit welke overtuigingen werk ik en wat voor docent ben ik: als leerling op de middelbare school sprak geschiedenis mij aan vanwege de mooie verhalen die docenten konden vertellen. Dit onderdeel vind ik daarom extra belangrijk bij mijn lessen. Ik denk ook dat vertellen een van mijn sterke punten is. Actief leren is goed maar verhalen kunnen wat mij betreft niet ontbreken uit het geschiedenis onderwijs. Ze brengen het vak tot leven.

3. Theorie

3.1. Hoe gebruik ik de theorie (in de breedste zin van het woord) die ik de afgelopen drie jaren bestudeerd heb in mijn studie en beroep: tijdens mijn lessen is er bewust en onbewust theorie aanwezig. Bepaalde stof wordt na een aantal jaren automatisch onderdeel bij het opzetten van mijn lessen. Structuur vind ik erg belangrijk wanneer ik zelf leer dus ook wanneer de leerlingen van mij moeten leren. Een voorbeeld is het didactisch analyse systeem wat mij helpt een vaste structuur aan te brengen in mijn lessen. Leerdoelen vind ik erg belangrijk om een einddoel voor ogen te hebben samen met de leerlingen.

3.1.1. Welke theorie past echt bij mij en heeft bijgedragen aan de vorming van mijzelf als persoon en als docent: de theorie die mij echt geholpen heeft als docent in opleiding, is datgene wat mij liet zien dat lesgeven niet gewoon een presentatie is. Het heeft mij laten zien dat je er over na moet denken hoe je leerlingen iets leert. Het toonde hoe je een betekenisvolle les opzet. De krachtige leeromgeving is een middel die mij sterk geholpen heeft. Competentie (de leerling moet de taak aankunnen). Aan mij de taak om de stof op het juiste niveau aan te bieden. Relatie(de leerling moet zich betrokken voelen). Aan mij de taak om een zo'n veilig mogelijke leeromgeving te creëren. En Autonomie( de leerling moet deels eigen keuzes kunnen maken). Dit kan ik stimuleren door keuzes te bieden tijdens de lessen. Bijvoorbeeld op basis van interesse of niveau(differentiatie in verwerking). Denkstappen van mijn leerlingen moeten geanalyseerd worden zodat ik het leren van mijn leerlingen kan volgen. Het motiveren door betekenis geven vind ik ook erg belangrijk. De leerlingen laten zien waarom ze dit moeten leren om de intrinsieke motivatie op te wekken. Je kan niet zomaar voor een klas gaan staan en verwachten dat iedere leerling geïnteresseerd is en alles meteen begrijpt. Er gebeurt wat achter de schermen.

3.1.1.1. Wat is het verband tussen de theorie die ik tot me genomen hebt en mijn huidige vak- en onderwijsvisie: mijn visie om leerlingen te tonen dat geschiedenis noodzakelijk is voor het begrip van het heden heeft alles te maken met betekenis geven. De theorie hierover die aangeeft dat dit intrinsieke motivatie erg belangrijk is voor de leerlingen om te leren sluit dus mooi aan op mijn visie.

3.1.1.1.1. Welke feedback was voor mij belangrijk: mijn stagebegeleidster in jaar drie gaf aan dat ik in het betekenis geven ook aan de toekomst van de leerlingen moest denken. Ik moest uitleggen waarom deze lessen belangrijk waren voor de toekomst van de leerlingen.