04 de 21ste eeuw: evolutionaire, culturele en positivistische psychologie

Commencez. C'est gratuit
ou s'inscrire avec votre adresse courriel
04 de 21ste eeuw: evolutionaire, culturele en positivistische psychologie par Mind Map: 04 de 21ste eeuw: evolutionaire, culturele en positivistische psychologie

1. icons by icon8

2. gezondheidspsychologie

2.1. Biomedisch model van geneeskunde:

2.1.1. 1. Ziektes hebben een biologische oorzaak

2.1.2. 2. Individuen hebben geen verantwoordelijkheid voor hun ziek-zijn

2.1.3. 3. De behandeling wil de lichamelijke toestand herstellen

2.1.4. 4. De arts heeft de verantwoordelijkheid voor de behandeling

2.1.5. 5. Duidelijk onderscheid tussen ziekte en gezondheid

2.2. Verschuiving

2.2.1. 19de eeuw: infecties door bacteriën/virussen

2.2.1.1. Biomedisch model: vaccinatie en antibiotica

2.2.2. 20-21ste eeuw hart- en vaatziekten, kanker, longziekten

2.2.2.1. McKeown (1973): verbetering in de leefomstandigheden

2.2.2.2. Voor hart- en vaatziekten is de levensstijl belangrijker dan de medische behandeling

2.2.3. Onmondige kinderen (begin 20ste eeuw) --> mondige volwassenen en bejaarden met chronische ziekten

2.3. Sociaal-culturele verschillen in het voorkomen van ziekten (epidemiologie)

2.3.1. China: meer groenten en minder verzadigde vetten --> minder hartziekten

2.3.2. Door de epidemiologie te bestuderen ontdekt men: vb. meer visconsumptie --> verlaagd risico op hartkwalen

2.4. Gezondheidspsychologie: - Biopsychosociale /holistische - ziektemodel (1970-1980)

2.4.1. 1. Ziekten ontstaan door een wisselwerking van biologische, psychologische en sociale factoren

2.4.2. 2. Individuen hebben tevens invloed op het ontstaan en verloop van hun ziekte

2.4.3. 3. Gedragsverandering

2.4.4. 4. Verantwoordelijkheid voor de behandeling ligt bij arts en patiënt

2.4.5. 5. Klemtoon op preventie

2.5. Biopsychosociale gezondheidsmodel

2.5.1. Patiënten ≠ onmondige kinderen (paternalisme) en nemen beslissingen op basis van informatie/overtuigingen

2.5.2. Artsen integreren de behandeling de leefwereld van hun patiënten en beschikken over communicatievaardigheden

2.6. Attributie

2.6.1. 1. Intern versus extern

2.6.2. 2. Stabiel versus instabiel

2.6.3. 3. Globaal versus specifiek

2.6.4. 4. Controleerbaar versus oncontroleerbaar

2.6.5. Vb. Interne attributie voor gezondheid - externe attributie voor de behandeling

3. positieve psychologie

3.1. de studie van de voorwaarden en de processen die bijdragen tot het bloeien of optimaal functioneren van mensen en groepen

3.2. Welzijn (Ed Diener), gehechtheid, optimisme, liefde, dankbaarheid, vergevingsgezindheid, eerbied, inspiratie, hoop, nieuwsgierigheid en lachen

3.3. Het subjectieve welzijn

3.3.1. Geluk = subjectief welzijn (voor positief psychologen)

3.3.2. ervaren reacties (cognities, positief en negatief affect) m.b.t. zichzelf, sociale relaties en werk

3.4. Cognitieve component: objectieve omstandigheden leiden niet tot bij iedereen tot een even groot welzijnsgevoel

3.4.1. Gelukkige mensen vergelijken hun situatie minder vaak met die van anderen

3.4.1.1. Positieve ervaring voor iemand anders ≠ bedreiging voor het eigen welzijn

3.4.2. Optimistische strategieën en reacties

3.4.3. verwachten interessante levensomstandigheden nu en in de toekomst

3.4.4. gevoel van controle

3.4.5. vertrouwen in hun vaardigheden

3.4.6. Ongelukkige mensen: onthouden langer negatieve gebeurtenissen en piekeren)

3.5. Positief affect

3.5.1. Vreugde, Opgetogenheid, Tevredenheid, Vertrouwen

3.5.2. Frequentie (niet de intensiteit) van positieve gevoelens bepaalt het geluk

3.6. Negatief affect

3.6.1. Schuldgevoel en schaamte, verdriet, verbittering en onvrede over verleden

3.6.2. Stress, angst, bezorgdheid als men geen voldoening verwacht in de toekomst

3.6.3. Vrouwen hebben > pos. en neg. affect

3.6.4. Meting door vragenlijsten, fysiologische stressmaten

3.7. Welke factoren bepalen het subjectief welzijn?

3.7.1. Positief welzijnsgevoel --> meer nieuwe voorwerpen, mensen, situaties worden opgezocht

3.7.2. 29/35 excellent, productief niveau van functioneren en weerbaar bij tegenslag

3.7.3. Negatief welzijnsgevoel --> terugtrekken

3.8. Nature-Nurture

3.8.1. Genetische factoren verklaren 40% positief affect en 55% negatief affect (tweelingonderzoek)

3.8.2. Aangeleerd optimisme --> weerbaarheid!

3.8.2.1. onaangename ervaring toeschrijven aan specifieke oorzaak

3.8.2.2. probleem extern attribueren

3.8.2.3. oorzaken van leed zijn veranderlijk en tijdelijk

3.9. Subjectief welzijn wordt weinig beïnvloed door gunstige/ongunstige omstandigheden

3.9.1. Lotto winnen --> enkele dagen later terug basisniveau

3.9.2. Ongeluk, ziekte --> enkele dagen later terug basisniveau

3.9.3. Uitz.: krijgen of verliezen van een innige relatie (kan ook bij 50% van de mensen kortdurend zijn)

3.9.4. Hoewel welvaart is toegenomen, geen hogere scores van geluk in de westen

3.9.5. Wel verschillen in welzijnsscores tussen landen:

3.9.5.1. bepaald niveau van welvaart is nodig voor een subjectief welzijn

3.9.5.2. gebaseerd op vergelijking met andere landen

3.9.5.3. (vb. Bulgarije, Estland met U.S. en Nederland)

3.10. Hoe kan psychologie helpen om mensen gelukkiger te maken?

3.10.1. Seligman (2005):

3.10.1.1. Gedurende 1 week 3 goede dingen van de dag opschrijven:

3.10.1.2. wat is de oorzaak van de positieve gebeurtenis en welke rol speel je daarin

3.10.1.3. (Kritiek van Lazarus:dit is slechts 1 copingmechanisme)

3.10.2. 2. Bacon (2005):

3.10.2.1. Focusgericht: persoonlijke sterktes zo goed mogelijk ontwikkelen (vb. onderwijs)

3.10.2.2. Balansgericht: harmonie vinden tussen de verschillende levensdoelen (gezin, zelf, hig, sociale relaties) =wijsheid, ‘de fundamentele pragmatiek van het leven (vb. therapie)