Commencez. C'est gratuit
ou s'inscrire avec votre adresse courriel
Start tot Arts par Mind Map: Start tot Arts

1. obesitas

1.1. BMI = gewicht (kg) / lengte2 (m)

1.1.1. ondergewicht < 18,5

1.1.2. gezond gewicht 18,5-25

1.1.3. overgewicht ≥ 25

1.1.4. ernstig overgewicht (obesitas) ≥ 30

1.1.5. morbide (niveau 3) ≥ 40

1.2. viscerale, intra-abdominale vet

1.2.1. meest inflammatoir, metabool actief

1.2.2. verhoogde middelomtrek

1.2.2.1. ♂ 94-102 cm

1.2.2.2. ♀ 80-88 cm

1.3. risicofactoren

1.3.1. energierijke voeding

1.3.2. te weinig beweging

1.3.3. genetische factoren (etniciteit)

1.3.4. psychosociale factoren (eetproblematiek, stoornissen)

1.3.5. obesogene omgeving

1.4. ziekten geassocieerd met obesitas

1.4.1. probleem: obesitas is een determinant voor allerlei andere aandoeningen (comorbiditeit)

1.4.2. diabetes mellitus type 2

1.4.3. hoger cholesterol in gal, vermindering van galblaasfunctie → galstenen

1.4.4. hart- en vaatziekten

1.4.5. verschillende typen kanker

1.4.6. artrose

1.4.7. verminderde longfunctie, slaapapneu

1.4.8. onvruchtbaarheid

1.4.9. depressie

1.5. diagnostische strategie

1.5.1. anamnese

1.5.1.1. symptomen van onderliggende oorzaken

1.5.1.2. klachten als gevolg van obesitas

1.5.1.3. psychische aandoeningen samenhangend met obesitas (depressie, eetstoornis)

1.5.1.4. kinderen

1.5.1.4.1. psychosociale problematiek, voorkomen bij ouders, groeicurve

1.5.2. lichamelijk onderzoek

1.5.2.1. buikomvang

1.5.2.2. BMI

1.5.2.3. bloeddruk

1.5.2.4. evt. palpatie

1.5.2.5. kinderen

1.5.2.5.1. dysmorfieën, acanthosis nigricans (→ insuline resistentie)

1.5.3. aanvullend onderzoek

1.5.3.1. bij vermoeden van onderliggende oorzaak

1.5.3.2. cardiovasculair risicomanagement (preventie)

1.5.3.3. kinderen

1.5.3.3.1. bepaling nuchter glucosewaarde (< 5,6 mmol/L)

1.6. behandeling

1.6.1. doel

1.6.1.1. ethisch

1.6.1.2. minder zweten

1.6.1.3. preventie van ziekten geassocieerd met obesitas (vroegtijdige dood)

1.6.1.4. verbetering van de kwaliteit van leven

1.6.2. gecombineerde leefstijlinterventie (GLI)

1.6.2.1. het is moeilijk om gewichtsreductie te behouden (jojo-effect)

1.6.3. liposuctie

1.6.3.1. geen effect op glucoseregulatie

1.6.4. metabole chirurgie

1.6.4.1. restrictie

1.6.4.1.1. kleiner maaggedeelte (maagband, maagverkleining)

1.6.4.2. malabsorptie

1.6.4.2.1. uitsluiten van gedeelte van de darm voor voedselopname (gastric bypass)

1.7. evolutie

1.7.1. 4.000.000 jaar geleden

1.7.1.1. fruit, noten (complexe koolhydraten)

1.7.2. 3.000.000 jaar geleden (klimaatverandering)

1.7.2.1. vlees, vis (eiwit, onverzadigd vet)

1.7.2.1.1. geen oorzaak, maar absolute voorwaarde voor groei van de hersenen

1.7.2.1.2. opslag in vetweefsel (endocrien orgaan)

1.7.3. 10.000 jaar geleden (opkomst van de landbouw)

1.7.3.1. koolhydraatrijke producten

1.7.3.1.1. slecht voor de gezondheid

1.7.3.1.2. maar wel succesvol!

1.7.4. 1800-

1.7.4.1. Industriële Revolutie

1.7.4.1.1. massale voedselproductie, suikerconsumptie is enorm toegenomen

1.7.4.1.2. mogelijkheid om ons zo min mogelijk in te spannen

1.8. maatschappelijk probleem

1.8.1. veelvoorkomend (frequentie)

1.8.2. grote impact zowel persoonlijk, als maatschappelijk

1.8.3. trend (toename)

2. Geneeskundig Proces

2.1. definitie gezondheid

2.1.1. WHO

2.1.1.1. toestand van volledig lichamelijk, geestelijke en maatschappelijk welzijn, niet slechts de afwezigheid van ziekte of andere lichamelijke gebreken

2.1.2. positieve gezondheid

2.1.2.1. nadruk op veerkracht, eigen regie en aanpassingsvermogen van de mens

2.1.2.2. 6 dimensies

2.1.2.2.1. lichaamsfuncties

2.1.2.2.2. mentaal welbevinden

2.1.2.2.3. zingeving

2.1.2.2.4. kwaliteit van leven

2.1.2.2.5. meedoen

2.1.2.2.6. dagelijks functioneren

2.2. wat is ziekte

2.2.1. Illness

2.2.1.1. wat de patiënt ervaart, klachten die het leven beïnvloeden

2.2.2. Disease

2.2.2.1. klachten zoals de arts ze medisch verklaart, objectiveerbare en meetbare biomedische afwijkingen

2.3. CanMeds rollen van de arts

2.3.1. Medisch deskundige

2.3.1.1. verantwoord, up to date, medisch beleid kunnen formuleren en toepassen

2.3.2. Communicator

2.3.2.1. adequaat communiceren van medisch beleid naar patiënt, familie en medezorgverleners

2.3.3. Academicus

2.3.3.1. kritische evaluatie van wetenschappelijk onderzoek en eigen performance

2.3.4. Beroepsbeoefenaar

2.3.4.1. ethisch verantwoorde praktijk uitoefening

2.3.5. Samenwerker

2.3.5.1. teamspeler

2.3.6. Organisator

2.3.6.1. consistent gestructureerde uitoefening van het beroep

2.3.7. Gezondheidsbevorderaar

2.3.7.1. voorkomen van ziekte

2.4. biopshychosociaal model (Engel)

2.5. premedische fase

2.5.1. een lichamelijke sensatie wordt een symptoom als je denkt dat er een medische oorzaak voor is

2.5.1.1. waarneming

2.5.1.1.1. selectieve aandacht

2.5.1.1.2. negatieve affectiviteit

2.5.1.2. ziektecognitie

2.5.1.2.1. attributies

2.5.1.2.2. self-efficacy

2.5.1.2.3. locus of control

2.5.1.3. ziektegedrag

2.5.1.3.1. klagen

2.5.1.3.2. niets doen

2.5.1.3.3. leken of het internet raadplegen

2.5.1.3.4. zelfzorg

2.5.1.3.5. complementaire geneeswijzen

2.5.1.3.6. professionele reguliere medische hulp

2.5.2. common sense illness model (Leventhal)

2.5.2.1. illness representation

2.5.2.1.1. identity

2.5.2.1.2. timeline

2.5.2.1.3. cause

2.5.2.1.4. control

2.5.2.1.5. consequence

2.5.2.2. coping behaviour for control of illness

2.5.2.3. appraisal of coping outcomes

2.6. Calgary-Cambridge model

2.6.1. structuur aanbrengen, relatie opbouwen

2.6.2. vraagverheldering

2.6.2.1. SCEGS

2.6.2.1.1. somatische aspecten

2.6.2.1.2. cognitieve aspecten

2.6.2.1.3. emotionele aspecten

2.6.2.1.4. gedragsmatige aspecten

2.6.2.1.5. sociale aspecten

2.6.2.2. hulpvraag

2.6.2.2.1. concrete vraag

2.6.2.2.2. wensen en verwachtingen

2.6.3. speciële anamnese

2.6.3.1. 7 dimensies

2.6.3.1.1. aard (kwaliteit)

2.6.3.1.2. lokalisatie

2.6.3.1.3. ernst (kwantiteit)

2.6.3.1.4. tijdsbeloop

2.6.3.1.5. context

2.6.3.1.6. factoren van invloed

2.6.3.1.7. begeleidende verschijnselen

2.6.4. algemene anamnese

2.6.4.1. systematisch uitvragen van een breed scala aan klachten en symptomen

2.6.4.2. intoxicaties

2.6.4.3. allergieën

2.6.4.4. medische voorgeschiedenis

2.6.4.5. familie- en psychosociale anamnese

2.6.4.6. tractusanamnese

2.6.5. lichamelijk onderzoek

2.6.5.1. observatie

2.6.5.1.1. niet-analytisch: bewustzijn, huidskleur, ademhaling, gelaatsuitdrukking, houding

2.6.5.2. inspectie

2.6.5.3. auscultatie (stethoscoop)

2.6.5.4. percussie (bekloppen met vingers)

2.6.5.5. palpatie (betasten)

2.6.6. aanvullend onderzoek

2.6.6.1. voorwaarden test

2.6.6.1.1. voldoende discrimineren

2.6.6.1.2. -

2.6.6.1.3. T+

2.6.6.1.4. T-

2.6.6.1.5. voldoende diagnostische winst opleveren

2.6.6.1.6. beleidsconsequenties hebben

2.6.6.1.7. niet te veel nadelen hebben

2.6.7. diagnose

2.6.7.1. ziektediagnoses

2.6.7.1.1. pathologisch-anatomisch

2.6.7.1.2. pathofysiologisch

2.6.7.1.3. etiologisch

2.6.7.2. syndroomdiagnoses

2.6.7.3. syptoomdiagnoses

2.6.7.4. diagnostische strategieën

2.6.7.4.1. één diagnose

2.6.7.4.2. meerder diagnoses in gedachten

2.6.7.4.3. de arts heeft geen idee

2.7. huisartsenpraktijk

2.7.1. aspecten van de huisartsenzorg

2.7.1.1. generalistisch

2.7.1.2. persoonsgericht

2.7.1.3. continu

2.7.2. praktijkassistente (PA)

2.7.2.1. uitvoeren triage

3. Individuele Zorg

3.1. obesitas in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ)

3.1.1. beoordelingsmethode

3.1.1.1. klinische blik is essentieel!

3.1.1.2. vetverdeling

3.1.1.2.1. huidplooimeting

3.1.1.2.2. middelomtrek

3.1.1.3. BMI

3.1.1.3.1. internationale afkapwaarden (Cole)

3.1.1.4. lichaamsbouw

3.1.1.4.1. beenlengte, 'frame', spiermassa

3.1.1.5. puberteitsstadium

3.1.1.6. groeicurven

3.1.1.6.1. stabiel op eigen lijn of snelle toename

3.1.1.7. etniciteit

3.1.1.7.1. Surinaams-Hindostaanse kinderen met in verhouding al 'flinke buik'

3.1.2. beleid

3.1.2.1. intensieve samenwerking met omgeving en zorgketen (wijkteam, school, huisarts)

3.1.2.2. jeugdarts (overgewicht)

3.1.2.3. kinderarts (verdenking comorbiditeit of obesitas)

3.1.2.4. laagdrempelig verwijzen door huisarts bij...

3.1.2.4.1. geen juiste praktijkvoeringsaspecten

3.1.2.4.2. geen mogelijkheid tot GLI

3.1.2.4.3. teveel gewichtsverlies

3.1.2.4.4. vermoeden op onderliggende aandoening

3.1.2.4.5. obesitas graad 3 (of bij een verhoogde glucosewaarde)

3.1.2.4.6. symptomen van slaapapneusyndroom

3.1.2.4.7. (seksueel) misbruik, affectieve verwaarlozing

3.1.2.4.8. acanthosis nigricans

3.1.3. somatische oorzaken

3.1.3.1. endocrien

3.1.3.1.1. endocrien kruis

3.1.3.2. syndromaal, monogenetisch

3.1.3.2.1. Prader-Willi syndroom

3.1.3.3. hypothalame schade

3.1.3.3.1. balans hormonen

3.1.3.4. medicamenteus

3.1.4. aanpak op maat

3.1.4.1. bepalen gewichtsgerelateerd gezondheids risico (GGR)

3.1.4.1.1. BMI i.c.m. comorbiditeit en risicofactoren (eetstoornis, motivatie, pedagogische onmacht)

3.1.4.2. gecombineerde leefstijlinterventie (GLI)

3.1.4.2.1. voedings- en beweegrichtlijn

3.1.4.2.2. ketenaanpak, goed functionerend netwerk

3.1.4.2.3. evt. farmacotherapie, bariatrische chirurgie

3.2. gedachten, cognitie en perceptie

3.2.1. perceptie

3.2.1.1. symptoomperceptie = manier van interpreteren van symptoom

3.2.1.2. two factor theory of emotion (Schachters)

3.2.1.2.1. fysiologische reactie

3.2.1.2.2. zoeken naar een plausibele verklaring

3.2.1.3. factoren van invloed

3.2.1.3.1. aandacht

3.2.1.3.2. attributies

3.2.1.3.3. emoties

3.2.1.4. effect op gezondheid

3.2.1.4.1. te laat naar de arts

3.2.1.4.2. te veel gebruik maken van de gezondheidszorg

3.2.1.4.3. chronische ziekten

3.2.1.4.4. verminderde therapietrouw

3.2.2. associatief leren

3.2.2.1. klassiek conditioneren

3.2.2.1.1. Pavlov

3.2.2.1.2. obesitas: externe prikkels, omgeving is gekoppeld aan eten

3.2.2.2. operant conditioneren

3.2.2.2.1. leren van consequenties van gedrag door beloning

3.2.2.2.2. obesitas: troosteten

3.2.3. cognities

3.2.3.1. beïnvloeden emoties en gedrag

3.2.3.1.1. negatieve uitkomstverwachtingen

3.2.3.1.2. acceptatie

3.2.3.1.3. ervaren oncontroleerbaarheid

3.2.3.1.4. aangeleerde hulpeloosheid

3.2.3.2. veranderbaar

3.2.3.2.1. cognitieve gedragstherapie

3.2.3.2.2. informatie geven

3.3. obesitas in de huisartsenpraktijk

3.3.1. contactrede van mensen met overgewicht is meestal niet gewichtstoename

3.3.2. in de praktijk gebeurt het vaak niet

3.3.2.1. gebrek aan tijd

3.3.2.2. gebrek aan voorlichtingsmateriaal/training (bekwaamheid)

3.3.2.3. angst voor negatieve reacties

3.3.2.4. niet zinvol, de motivatie moet van de patiënt komen

3.3.3. NHG: signalering, diagnostiek en behandeling van overgewicht

3.3.3.1. zelf ondersteuning vragen

3.3.3.2. comorbiditeit, waarbij gewichtsreductie van belang is

3.3.3.3. verhoogd cardiovasculair profiel

3.3.3.4. kinderen

3.3.3.4.1. verwezen door JGZ

3.3.3.4.2. obesitas

3.3.4. aanpak

3.3.4.1. motiverende gespreksvoering (MGV)

3.3.4.1.1. respect voor de patiënt

3.3.4.1.2. benadrukken van autonomie

3.3.4.1.3. verandertaal uitlokken (LSD)

3.3.4.2. onderschat rol als arts en motivatie van de patiënt niet!

3.3.4.3. transtheoretisch model (Prochaska)

3.3.4.3.1. proces van gedragsveranderingen

3.3.4.3.2. voorstadium → overwegen→ beslissen → actie → volhouden → terugval

3.3.4.3.3. ambivalentie

3.4. voeding en gezondheid

3.4.1. een diëtist begeleid mensen met...

3.4.1.1. diabetes

3.4.1.2. hartfalen (natrium-, vochtbeperkt)

3.4.1.3. nierproblemen (eiwit-, natrium-, kalium-, fosfaatbeperkt)

3.4.1.4. kanker (energie-, eiwitverrijkt, drink-, sondevoeding)

3.4.1.5. darmziekten (vezel-, vochtverrijkt)

3.4.1.6. pre- en postoperatief (aangepaste consistentie)

3.4.1.7. voedselallergieën

3.4.1.8. overgewicht (energiebeperkt)

3.4.1.9. coeliakie (glutenvrij)

3.4.2. een diëtist bespreekt/geeft...

3.4.2.1. hulpvraag, klachten, voedingspatroon, beweging

3.4.2.2. educatie over ziektebeeld (relatie met voeding, medicatie)

3.4.2.3. motivatie, haalbare doelen

3.4.2.4. concrete 'op maat' adviezen

3.4.2.5. handvatten op praktische toepassing in verschillende situaties

3.4.3. mensen met overgewicht hebben vaak last van...

3.4.3.1. insulineresistentie

3.4.3.2. veel medicatie

3.4.3.3. geringe mobiliteit

3.4.3.3.1. neuropathie (pijn)

3.4.3.3.2. hartfalen (kortademigheid)

3.4.3.3.3. hoge bloedsuikers (vermoeidheid)

3.4.3.4. psychosociale belemmeringen

3.4.4. Risicofactoren Eetstoornis bij Overgewicht (REO), vragenlijst

3.4.4.1. hulpmiddel in het herkennen van verstoord eetgedrag

3.4.4.2. geeft inzicht in...

3.4.4.2.1. preoccupatie met gewicht en uiterlijk

3.4.4.2.2. onrealistische verwachtingen t.a.v. streefgewicht

3.4.4.2.3. lijnverleden

3.4.4.2.4. verstoring van het psychosociaal functioneren

3.4.4.2.5. emotioneel eetgedrag

3.4.4.2.6. impulsiviteit

3.4.5. maaltijdvervangers

3.4.5.1. Very Low Calorie Diet (VLCD) / Modifast

3.4.5.1.1. maaltijdvervangers (3 shakes per dag), 2L calorievrij vocht, evt. rauwkost

3.4.5.1.2. bij insulineresistentie, structuur nodig

3.4.5.1.3. hypoglycemieën voorkomen!

3.4.5.2. nadeel: niet aanleren van een ander voedingspatroon

3.5. emoties, stress en coping

3.5.1. emotie

3.5.1.1. van belang voor sociaal functioneren, angst en het maken van beslissingen

3.5.1.2. 7 universele basisemoties (Paul Ekman)

3.5.1.2.1. verdriet, angst, boosheid, walging, minachting, blijdschap, verrassing

3.5.1.3. tonen van emoties

3.5.1.3.1. physiological response

3.5.1.3.2. behavioural action tendency

3.5.1.3.3. nonverbal expressions

3.5.1.4. emotionele disposities

3.5.1.4.1. openstaan voor nieuwe ervaringen

3.5.1.4.2. gewetensvolheid

3.5.1.4.3. extraversie

3.5.1.4.4. aangenaamheid

3.5.1.4.5. neuroticisme

3.5.1.5. dual-route model (Joseph LeDoux)

3.5.1.5.1. fight or flight response

3.5.1.5.2. langzame, maar specifieke route

3.5.2. stress

3.5.2.1. draaglast > draagkracht

3.5.2.2. veroorzaakt door stressoren

3.5.2.2.1. acuut of chronisch

3.5.2.2.2. intern of extern

3.5.2.2.3. uitzonderlijk of dagelijks

3.5.2.3. stress management

3.5.2.3.1. cognitieve gedragstherapie

3.5.2.3.2. relaxatie therapie

3.5.2.3.3. mindfulness

3.5.2.3.4. meditatie

3.5.2.3.5. time management

3.5.2.4. stress-copingmodel (Lazarus)

3.5.2.4.1. primaire inschatting

3.5.2.4.2. secundaire inschatting

3.5.2.4.3. coping

3.5.2.4.4. re-appraisel

3.5.2.5. general adaption syndrome (Hans Selye)

3.5.2.5.1. alarm reaction

3.5.2.5.2. resistance

3.5.2.5.3. exhaustion

3.6. gespreksvaardigheden

3.6.1. patiënt

3.6.1.1. ervaart meer steun, tevredenheid

3.6.1.2. therapietrouw

3.6.1.2.1. betere gezondheidstoestand

3.6.2. arts

3.6.2.1. meer nauwkeurigheid, efficiënter

3.6.2.2. minder vervolgafspraken

3.6.2.3. meer voldoening, minder frustratie

3.6.3. actief luisteren

3.6.3.1. basishouding

3.6.3.1.1. oprechte interesse, naïeve nieuwsgierigheid

3.6.3.1.2. OMA thuislaten

3.6.3.2. stiltes

3.6.3.3. aanmoedigen

3.6.3.3.1. non-verbaal

3.6.3.3.2. verbaal

3.6.4. vragen stellen

3.6.4.1. open vragen

3.6.4.1.1. bevorderen participatie van de patiënt

3.6.4.1.2. dragen bij aan een betere diagnose

3.6.4.2. gesloten vragen

3.6.4.2.1. structuur, specifieke informatie

3.6.4.3. GEEN suggestieve, mc of dubbele vragen

3.6.5. samenvatten

3.6.5.1. essentie vertellen van wat er besproken is

3.6.5.2. doel: wederzijdse overeenstemming, structureren

4. Complexe en Chronische Zorg

4.1. artseneed

4.1.1. biedt een kader voor studenten en artsen bij het omgaan met ethische aspecten in de zorg

4.1.2. belangrijke principes

4.1.2.1. 1. niets schaden

4.1.2.2. 2. goed doen

4.1.2.3. 3. rechtvaardigheid

4.1.2.4. 4. respect voor autonomie

4.1.3. 2 aspecten

4.1.3.1. intern: regeling binnen beroepsgroep

4.1.3.2. extern: relatie met patiënten en de maatschappij

4.1.4. medische ethiek = fundamentele belangen van mensen in de gezondheidszorg

4.1.5. na WOII → patiëntperspectief

4.2. gezondheidsrecht

4.2.1. uitgangspunten WGBO

4.2.1.1. 1. goed hulpverlenerschap

4.2.1.2. 2. schildplicht

4.2.1.2.1. keuzevrijheid van het individu bij het ondergaan van een medische behandeling

4.2.1.2.2. informed consent

4.2.1.2.3. wilsonbekwaamheid

4.2.1.2.4. minderjarigen

4.2.2. doelen

4.2.2.1. waarborgen hoge kwaliteit van de zorg

4.2.2.2. niet-naleven kan (juridische/medische) gevolgen hebben

4.2.2.3. stelt eisen aan zorgproffesionals

4.2.2.3.1. Wet BIG

4.2.3. sociaal contract

4.2.3.1. arts geeft het beste van zijn energie, tijd en aandacht

4.2.3.2. maatschappij geeft geld en veel vertrouwen

4.3. van eenvoudige naar chronische problematiek

4.3.1. patiëntgebonden factoren

4.3.1.1. medisch

4.3.1.1.1. multimorbiditeit

4.3.1.1.2. polyfarmacie

4.3.1.2. psychisch

4.3.1.3. context

4.3.1.3.1. ↓ zelfzorg, sociale steun, SES, gezondheidsvaardigheden

4.3.2. zorgproces

4.3.2.1. kwaliteit van leven op lichamelijk, psychisch, sociaal en spiritueel vlak staat centraal

4.3.2.2. patiënt centraal

4.3.2.2.1. persoonsgericht

4.3.2.2.2. passend (voldoende rendement)

4.3.2.2.3. proactief

4.3.2.2.4. samenhangend

4.3.2.3. multidisciplinaire samenwerking

4.3.2.3.1. vast team

4.3.2.3.2. regierol

4.3.2.3.3. zorgplan

4.3.2.3.4. SFMPC domein

4.3.2.4. geen routinematige zorg, past niet in richtlijnen

4.3.2.5. kennisintensief

4.3.2.6. discipline overstijgend

4.4. ouderen

4.4.1. betekenis van multimorbiditeit

4.4.1.1. patiënt

4.4.1.1.1. meerdere artsen, (tegengestelde) adviezen, beperkingen functie en participatie

4.4.1.2. arts

4.4.1.2.1. niet alleen via protocollen, ook kennis van andere ziekten

4.4.1.3. student

4.4.1.3.1. leert aparte blokken, later zelf combineren

4.4.1.4. maatschappij

4.4.1.4.1. overconsumptie, verkeerde bed problematiek, druk op (in)formele zorg

4.4.2. kwetsbaarheid

4.4.2.1. frailty-fenotype

4.4.2.1.1. ongewild gewichts- en krachtsverlies

4.4.2.1.2. toegenomen vermoeidheid

4.4.2.1.3. langzamer lopen, minder fysiek actief

4.4.2.2. verhoogd risico op vallen, ziekenhuisopname, postoperatieve complicaties, dementie

4.4.2.3. betere voorspeller voor sterfte dan leeftijd

4.4.3. rol van de geneeskunde

4.4.3.1. kwaliteit van leven staat centraal

4.4.3.2. Cure (genezen)

4.4.3.3. Restorative (revalidatie)

4.4.3.4. Care (zorg)

4.4.3.5. Palliate (verlichten van symptomen)

4.4.3.5.1. fasen van verwerking (Kübler Ross)

4.5. zorgstelsel

4.5.1. in te verdelen naar...

4.5.1.1. zorgbehoefte

4.5.1.1.1. perinataal, preventief, palliatief, ...

4.5.1.2. plaats van behandeling

4.5.1.2.1. intra-muraal

4.5.1.2.2. extra-muraal

4.5.1.2.3. semi-muraal

4.5.1.2.4. trans-muraal

4.5.1.3. behandelingsniveau

4.5.1.3.1. nulde lijn

4.5.1.3.2. eerste lijn

4.5.1.3.3. tweede lijn

4.5.1.3.4. derde lijn

4.5.1.4. doelgroep

4.5.1.4.1. totale bevolking

4.5.1.4.2. mensen met beperkingen, verhoogd risico, ouderen...

4.5.2. soorten stelsels

4.5.2.1. genationaliseerd, planmatig stelsel (Beveridge)

4.5.2.1.1. + toegankelijkheid

4.5.2.1.2. - kwaliteit

4.5.2.2. sociaal verzekeringsstelsel (Bismarck)

4.5.2.2.1. + kwaliteit

4.5.2.2.2. - betaalbaarheid

4.5.2.3. gereguleerde marktstelsel (Enthoven)

4.5.2.3.1. + doelmatigheid

4.5.2.3.2. - betaalbaarheid

4.5.3. Nederland

4.5.3.1. marktgericht

4.5.3.1.1. verzekeringsprincipe

4.5.3.1.2. stimuleren concurrentie, kritische inkoop

4.5.3.2. planmatig

4.5.3.2.1. risico- en inkomenssolidariteit

4.5.3.3. randvoorwaarden

4.5.3.3.1. acceptatieplicht voor de basisverzekering door zorgverzekeraars

4.5.3.3.2. plicht zich te verzekeren voor burgers

4.5.3.3.3. gelijk basispakket voor iedereen

4.5.3.3.4. nominale premie voor alle verzekerden, ongeacht leeftijd of ziekterisico

4.5.3.3.5. zorgtoeslag voor mensen met een laag inkomen

4.5.3.3.6. risico-vererving; compensatie voor verzekeraars met onevenredig hoge kosten

4.5.3.3.7. keuzevrijheid m.b.t. verzekeraar én behandelaar

4.5.3.4. stelselwetten

4.5.3.4.1. Zorgverzekeringswet

4.5.3.4.2. Wet Langdurige Zorg

4.5.3.4.3. Wet Maatschappelijke Ondersteuning

4.5.3.4.4. Jeugdwet

4.5.3.4.5. Wet Publieke Gezondheid

4.6. beroepsgeheim

4.6.1. de arts zwijgt over alles wat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening heeft waargenomen

4.6.2. belangen

4.6.2.1. individueel

4.6.2.1.1. recht op privacy en zelfbeschikking

4.6.2.2. maatschappelijk

4.6.2.2.1. behouden van toegang

4.6.3. uitzonderingen

4.6.3.1. bij toestemming van de patiënt

4.6.3.1.1. basale ontheffing van het beroepsgeheim

4.6.3.2. wettelijke plicht tot melden

4.6.3.2.1. Wet op lijkbezorging

4.6.3.2.2. Infectieziektenwet

4.6.3.3. conflict van plichten

4.6.3.3.1. criteria van Leenen

4.7. professioneel gedrag

4.7.1. domeinen

4.7.1.1. omgaan met werk en taken

4.7.1.2. omgaan met anderen

4.7.1.3. omgaan met jezelf

4.7.2. omgaan met fouten

4.7.2.1. rechtstreeks contact opnemen met de patiënt

4.7.3. zelfreflectie

4.7.3.1. STARTT-methode

4.7.3.1.1. Situatie

4.7.3.1.2. Actie

4.7.3.1.3. Resultaat

4.7.3.1.4. Reflectie

4.7.3.1.5. Taak

5. Populatiegerichte Zorg

5.1. epidemiologie

5.1.1. richt zich op het bestuderen van...

5.1.1.1. het vóórkomen van ziekte en andere gezondheidsuitkomsten in populaties

5.1.1.2. de verspreiding van ziekten

5.1.1.3. met gezondheid en ziekte samenhangende factoren

5.1.1.3.1. diagnostisch

5.1.1.3.2. etiologisch

5.1.1.3.3. prognostisch

5.1.2. epidemie

5.1.2.1. een opmerkelijke toenamen in de mate van vóórkomen van bepaalde ziekten of ziekteverschijnselen in een bepaalde periode

5.1.3. pandemie

5.1.3.1. een zeer wijd verbreide epidemie die op hetzelfde moment op meerder continenten plaatsvindt

5.1.4. endemie

5.1.4.1. aanwezigheid van een ziekte op een constant hoog frequentieniveau in een populatie gedurende een langere tijd

5.1.5. John Snow

5.1.5.1. grondlegger van de epidemiologie

5.1.5.2. natuurlijk experiment bij de Londense choleraepidemie van 1854

5.1.6. descriptieve epidemiologie

5.1.6.1. frequentie en verdeling

5.1.7. analytische epidemiologie

5.1.7.1. relatie tussen determinanten en gezondheidsuitkomsten

5.1.8. frequentiematen

5.1.8.1. epidemiologische breuk

5.1.8.1.1. teller

5.1.8.1.2. noemer

5.1.8.2. prevalentie

5.1.8.2.1. aantal bestaande gevallen / population at risk

5.1.8.2.2. bepalen ziektelast, plannen en organiseren van de zorg

5.1.8.2.3. tijdsbestek van groot belang!

5.1.8.3. cumulatieve incidentie

5.1.8.3.1. aantal nieuwe gevallen / population at risk (cohort)

5.1.8.3.2. gemiddeld individueel risico binnen de populatie

5.1.8.4. incidentiedichtheid

5.1.8.4.1. aantal nieuwe gevallen / geobserveerde persoonsjaren at risk

5.1.8.4.2. maat voor snelheid van ontstaan van ziekten

5.1.8.4.3. conversie

5.1.9. gezondheidsindicatoren

5.1.9.1. ziekte en aandoeningen

5.1.9.1.1. prevalentie- en incidentiecijfers

5.1.9.2. sterfte en doodsoorzaken

5.1.9.2.1. sterftecijfer

5.1.9.3. levensverwachting

5.1.9.3.1. a.d.h.v. sterftetafel

5.1.9.4. functioneren en kwaliteit van leven

5.1.9.4.1. Disability Adjusted Life Years (DALY)

5.1.10. associatiematen

5.1.10.1. kwantificeert verband tussen determinant en gezondheidsuitkomst

5.1.10.2. altijd 2x2 tabel gebruiken!

5.1.10.3. -

5.1.10.3.1. D

5.1.10.4. E

5.1.10.4.1. a

5.1.10.5. Ē

5.1.10.5.1. c

5.1.10.6. risicomaten

5.1.10.6.1. absoluut risico

5.1.10.6.2. attributief risico

5.1.10.6.3. relatief risico (RR)

5.1.10.7. numbers needed to treat/screen/vaccinate

5.1.10.8. odds ratio (OR)

5.1.10.8.1. odds

5.1.10.8.2. odds op blootstelling onder de zieken / odds op blootstelling onder de niet-zieken

5.1.10.8.3. (a × d) / (b × c)

5.2. determinanten van gezondheid

5.2.1. geven inzicht in...

5.2.1.1. ontstaan, verloop en voorkomen van ziekte

5.2.1.2. verloop van het ziekteproces

5.2.1.3. bevorderen van gezondheid

5.2.2. onder te verdelen in...

5.2.2.1. biopshychosociaal model

5.2.2.2. model van Lalonde

5.2.2.2.1. Biologische factoren

5.2.2.2.2. Omgeving

5.2.2.2.3. Leefstijl

5.2.2.2.4. Gezondheidszorg

5.2.2.3. regenboogmodel

5.2.2.3.1. proximaal

5.2.2.3.2. distaal

5.2.3. criteria van Bradford-Hill

5.2.3.1. sterke associatie (RR > 1)

5.2.3.2. associatie wordt gevonden in verschillende studies, consistente resultaten

5.2.3.3. blootstelling aan determinant vindt plaats voordat de ziekte zich ontwikkelt

5.2.3.4. biologische verklaring voor de relatie

5.2.3.5. dosis-effect relatie

5.2.3.5.1. hoger risico bij meer blootstelling

5.2.4. populatie attributieve fractie (PAF)

5.2.4.1. welk deel van incidentie is toe te schrijven aan een bepaalde risicofactor

5.2.4.2. (Itot - IĒ) / Itot

5.3. preventie

5.3.1. stadium van ziekte

5.3.1.1. primair

5.3.1.1.1. stadium van verhoogd risico

5.3.1.2. secundair

5.3.1.2.1. preklinische stadium (detecteerbaar)

5.3.1.3. tertiair

5.3.1.3.1. klinische fase

5.3.2. type preventieve maatregel

5.3.2.1. ziektepreventie

5.3.2.2. gezondheidsbevordering

5.3.2.2.1. gedrag

5.3.2.3. gezondheidsbescherming

5.3.2.3.1. omgeving

5.3.3. doelgroep

5.3.3.1. collectief of opportunistisch

5.3.3.2. universeel

5.3.3.2.1. algemene gezonde bevolking

5.3.3.3. selectief

5.3.3.3.1. bevolking met verhoogd risico

5.3.3.4. geïndiceerd

5.3.3.4.1. individu met beginnende klachten

5.3.3.5. zorggerelateerde

5.3.3.5.1. individu met ziekte

5.3.4. epidemiologische analyse → determinanten analyse → interventiekeuze → implementatie → evaluatie

5.3.5. preventieparadox

5.3.6. screeningsprogramma

5.3.6.1. actief (programmatisch) aangeboden aan grote groepen mensen

5.3.6.2. criteria van Wilson & Junger

5.3.6.2.1. 1. belangrijk gezondheidsprobleem

5.3.6.2.2. 2. algemeen aanvaardbare behandelingsmethode

5.3.6.2.3. 3. voldoende voorzieningen voor diagnose en behandeling

5.3.6.2.4. 4. herkenbaar latent of vroeg symptomatisch stadium

5.3.6.2.5. 5. betrouwbare en aanvaardbare oplossingsmethode

5.3.6.2.6. 6. natuurlijke verloop is bekend

5.3.6.3. nieuwe criteria

5.3.6.3.1. 1. omvangrijke gezondheidswinst

5.3.6.3.2. 2. geringe mate van ongunstige neveneffecten

5.3.6.3.3. 3. redelijke verhouding tussen de kosten en effecten

5.3.6.4. lead time bias

5.3.6.4.1. vertekening in levensduur door vroege opsporing

5.3.6.5. lenght time bias

5.3.6.5.1. ziekte zou bij natuurlijk beloop nooit tot uiting zijn gekomen

5.3.6.5.2. overdiagnostiek

5.3.6.6. prevalentie van de ziekte beïnvloed PVW en NVW

5.4. Global Health

5.4.1. development = transition from a life with few choices and many sufferings to a life with satisfied basic needs and many choices

5.4.2. GINI-index

5.4.2.1. (in)equality

5.4.3. human development index (HDI)

5.4.3.1. health

5.4.3.1.1. life expectancy at birth

5.4.3.2. education

5.4.3.2.1. years of schooling

5.4.3.3. living standards

5.4.3.3.1. gross national income per capita

5.4.3.4. inequality adjusted

5.4.3.4.1. human rights, non-discrimination, dignity, self-determination

5.4.4. key health status indicators

5.4.4.1. infant mortality rate

5.4.4.2. life expectancy at birth (LEB)

5.4.4.3. maternal mortality ratio

5.4.4.4. neonatal mortality rate

5.4.4.5. under-5 mortality rate (CMR)

5.4.5. key determinants of health

5.4.5.1. physical environment

5.4.5.1.1. water, sanitation, air polution

5.4.5.2. health behaviors and coping skills

5.4.5.3. employment and working conditions

5.4.5.4. access to health services

5.4.5.5. healthy child development

5.4.5.6. social environment

5.4.5.6.1. socio-economic status, education, social capital, culture, gender norms, mobility

5.4.5.7. individual

5.4.5.7.1. genetic make-up, sex, age

5.4.6. demografische transitie

5.4.7. epidemiologische transitie

5.4.8. Millenium Development Goals (MDG)

5.4.8.1. Sustainable Development Goals (SDG)

5.4.9. 'double burden of disease'

6. Wetenschap

6.1. historisch perspectief arts-patiënt relatie

6.1.1. tot 1880

6.1.1.1. geneeskunde als rationeel, speculatief systeem

6.1.1.1.1. anamnese staat centraal

6.1.1.1.2. Herman Boerhaave (briefpatiënten)

6.1.1.2. gelijkwaardigheid

6.1.2. 1880-1950

6.1.2.1. eerste diagnostische instrumenten, weinig therapeutische middelen

6.1.2.1.1. kracht van suggestie (placebo)

6.1.2.1.2. hoge verwachtingen, grote teleurstellingen

6.1.2.2. respect

6.1.3. 1950-

6.1.3.1. medische doorbraken, regeldruk, nieuwe interfaces

6.1.3.1.1. kritisch geïnformeerde patiënt

6.1.3.2. afstand

6.2. wetenschapsfilosofie

6.2.1. het is niet gemakkelijk te zeggen wat ziekte is

6.2.2. ontwikkeling

6.2.2.1. homoseksualiteit

6.2.2.1.1. van zonde naar ziekte naar identiteit

6.2.2.1.2. tot 1973 opgenomen in de DSM

6.2.2.2. medicalisering

6.2.2.2.1. condities die we aanvankelijk beschouwden als normaal, gaan we zien als te behandelen ziekte

6.2.3. naturalisten

6.2.3.1. biologisch disfunctioneren

6.2.3.1.1. ziekten 'bestaan' objectief

6.2.4. sociaal-constructivisten

6.2.4.1. onwenselijkheid van een situatie

6.2.4.1.1. tijd- en plaatsgebonden ideeën bepalen welke ziekten 'bestaan'

6.3. evidence based medicine (EBM)

6.3.1. best mogelijke zorg is...

6.3.1.1. doeltreffend

6.3.1.1.1. werkzaam, uitvoerbaar, veilig, vraaggericht, acceptabel, nodig én van toepassing

6.3.1.2. doelmatig

6.3.2. providence-based (wil van goden)

6.3.2.1. government-based

6.3.2.1.1. authority-based

6.3.3. evidence = aanwijzing, geen bewijs (proof)

6.3.4. 5 A's

6.3.4.1. 1. Ask

6.3.4.1.1. zoekvraag formuleren

6.3.4.2. 2. Acquire

6.3.4.2.1. systematisch zoeken (PICO)

6.3.4.3. 3. Appraise

6.3.4.3.1. beoordelen

6.3.4.4. 4. Apply

6.3.4.4.1. toepassen in de praktijk

6.3.4.5. 5. Asses

6.3.4.5.1. evalueren

6.3.5. hiërarchie van bewijskracht (EBRO indeling)

6.3.5.1. richtlijnen

6.3.5.1.1. hanteerbaar, 'sneller' implementeerbaar maken van snel groeiende informatiestroom

6.3.5.1.2. kwaliteit van de zorgverlening verbeteren

6.3.5.1.3. (klinisch) handelen en besluitvorming ondersteunen

6.3.5.1.4. diversiteit van handelen door professionals verminderen

6.3.5.1.5. vergroten transparantie

6.3.5.2. meta-analyse systematische reviews

6.3.5.3. randomised controlled trials (RCT)

6.3.5.4. observationele studies (cohort, case control)

6.3.5.5. meningen

6.3.6. kritiek op EBM

6.3.6.1. vooral in het begin op een strikte manier ingevuld

6.3.6.1.1. cookbook medicine

6.3.6.2. epidemiologisch bewijs is de norm

6.3.6.2.1. vaak afwezig, onjuist, verouderd, niet direct vertaalbaar naar de patiënt

6.3.6.3. 'afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid'

6.3.6.4. richtlijnen vormen de basis

6.3.6.4.1. enorm tijdsintensief

6.3.6.4.2. niet up-to-date ten tijde van publicatie

6.3.6.4.3. implementatie in praktijk verloopt vaak moeizaam

6.3.7. in de praktijk

6.3.7.1. NHG-standaard

6.3.7.1.1. totstandkoming

6.3.7.2. andere betrouwbare bronnen

6.3.7.3. zelf zoeken m.b.v. PICO

6.3.7.3.1. Population, Patient, Problem

6.3.7.3.2. Intervention

6.3.7.3.3. Comparison

6.3.7.3.4. Outcome

6.4. onderzoek naar obesitas: bruin vet

6.5. onderzoeksvragen obesitas

6.5.1. wetenschappelijk denken

6.5.1.1. Hoe vaak komt het voor?

6.5.1.2. Waardoor komt het?

6.5.1.3. Is het 'erg'?

6.5.1.4. Moeten we er iets aan doen?

6.5.1.5. Zo ja, wat is de optimale therapie?

6.5.2. obesitas benoemen als ziekte

6.5.2.1. voordelen

6.5.2.1.1. behandelbaar

6.5.2.1.2. preventie mogelijk

6.5.2.2. nadelen

6.5.2.2.1. medicalisering

6.5.2.2.2. stigmatiserend