Woordsoorten

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Woordsoorten by Mind Map: Woordsoorten

1. Werkwoorden

1.1. Soorten

1.1.1. Zelfstandig

1.1.1.1. Belangrijkste werkwoord in de zin

1.1.1.1.1. Heeft duidelijke betekenis

1.1.1.2. zww

1.1.2. Koppel

1.1.2.1. Koppelt onderwerp aan naamwoordelijk deel van gezegde

1.1.2.1.1. Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen

1.1.2.2. kww

1.1.3. Hulp

1.1.3.1. Alle andere werkwoorden in een zin naast koppel- en zelfstandige werkwoorden

1.1.3.2. hww

1.2. Vormen

1.2.1. Persoonsvorm

1.2.1.1. Actief, kan van tijd/hoeveelheid veranderen

1.2.2. Infinitief

1.2.2.1. Hele werkwoord, bijvoorbeeld: lopen, denken, eten

1.2.3. Deelwoord

1.2.3.1. Voltooid deelwoord

1.2.3.1.1. Als iets voltooid is, bijvoorbeeld: gelopen, gedacht, gegeten

1.2.3.2. Onvoltooid deelwoord

1.2.3.2.1. Als iets bezig is, bijvoorbeeld: lopend, denkend, etend

1.3. ww

1.4. Kan als znw gebruikt worden

1.4.1. Mijn opa rookt(rookt=ww

1.4.2. Roken is vies(roken=znw

2. Zelfstandig naamwoord

2.1. Kan een lidwoord hebben

2.2. Kan enkelvoud of meervoud zijn

2.3. Kan verkleind worden

2.4. Eigennaam

2.4.1. Kan geen lidwoord hebben

2.4.2. Kan niet verkleind worden

2.4.3. Kan geen meervoud zijn

2.5. Lidwoord

2.5.1. Kan voor zelfstandig naamwoord staan

2.5.2. Bepaald:

2.5.2.1. De

2.5.2.1.1. Een deel van enkelvoud, al het meervoud

2.5.2.2. Het

2.5.2.2.1. Een deel van enkelvoud

2.5.3. Onbepaald:

2.5.3.1. een

2.6. znw

3. Bijvoeglijk naamwoord

3.1. bn

3.2. Zegt iets over zelfstandig naamwoord

3.3. Trappen:

3.3.1. Overtreffende trap

3.3.1.1. Het grootste boek

3.3.2. Vergrotende trap

3.3.2.1. Het grotere boek

3.3.3. 'Gewone' trap

3.3.3.1. Het grote boek

4. Voorzetsels

4.1. Kan geen los zinsdeel zijn

4.2. Woorden die je kan invullen voor ... het kooitje of voor ... de feestdagen

4.2.1. Op, naast, in het kooitje

4.2.2. Tijdens, voor, na de feestdagen

4.3. vz

5. Telwoorden

5.1. Kan een precies aantal aangeven(vijf, duizend, 42)

5.2. Kan ook een aantal geven dat niet precies is(veel, weinig)

5.3. Rangtelwoorden

5.3.1. Geeft aan op welke plaats iets staat in een rangindeling

5.3.1.1. Kan precies(eerste, vijftiende derde)

5.3.1.2. Kan niet precies( zoveelste, hoeveelste, laatste)

6. Persoonlijk voornaamwoorden

6.1. Verwijst naar mensen, dieren, dingen

6.2. pvnw

7. Bezittelijk voornaamwoorden

7.1. Geeft bezit aan

7.2. bvnw

8. Vragend voornaamwoord

8.1. stelt een vraag

8.2. vvnw