Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Woordleer by Mind Map: Woordleer

1. Het werkwoord

1.1. Zelfstandige werkwoorden (ZWW) - Kunnen samen met het onderwerp een volwaardige    zin vormen.    Bv. Hij verwelkomt al zijn vrienden op dat feestje

1.2. Koppelwerkwoorden (KWW) - Weinig betekenis op zichzelf. Ze koppelen enkel het    onderwerp aan de toestand waarin dat onderwerp    zich bevindt.   Bv. Britt is sinds gisteren ziek.

1.3. Hulpwerkwoorden (HWW) - Ondersteunt een ander werkwoord. In een zin met   meerdere werkwoorden is het hulpwerkwoord de   pv. Let op! Een zin kan meer dan één HWW hebben.   Bv. Hij zal slagen voor het proefwerk biologie.

2. Het lidwoord

2.1. De, het en een - Twee bepaalde lidwoorden (de en het) - Eén onbepaald lidwoord (een)    Bv. Het meisje keek uit naar een leuke    dag vakantie

3. Het zelfstandig naamwoord

3.1. Benoemt personen, zaken, begrippen,... Bv. Op de vierde verdieping van het museum vind je de beste stukken uit de collectie

4. Het bijvoeglijk naamwoord

4.1. Geeft extra info over een zelfstandig naamwoord. Bv. De krankzinnig journalist werd gisteren gearresteerd.

5. Het bijwoord

5.1. Vertelt wanneer, waar, hoe vaak,.. een actie plaatsvindt. Het geeft ook nadere uitleg bij een telwoord, bij een bijvoeglijk naamwoord of bij een ander bijwoord. Bv. Morgen vertel ik hem rustig de waarheid

6. Het telwoord

6.1. Hoofdtelwoorden - Noemen het aantal personen, dieren of dingen.   Bepaalde hoofdtelwoorden geven een juist   aantal, onbepaalde hoofdtelwoorden geven een   onnauwkeurig getal aan.   Bv. Tien leuke liedjes.         Veel toeschouwers.

6.2. Rangtelwoorden - geven de plaats of rangorde aan. Bepaalde rangetelwoorden geven de exacte plaats in de rij aan. Onbepaalde rangtelwoorden geven een niet-bepaalde plaats in de rangorde aan. Bv. Voor de tiende keer: neem je boek!      Dit is al de zoveelste verwittiging!

7. Het voorzetsel

7.1. Geeft aan waar de dingen zich ten opzichte van elkaar bevinden of het helpt aanduiden wanneer een handeling gebeurt. Bv. We gaan slapen omstreeks middernacht

7.2. Een vast voorzetsel kan een eenheid vormen met een werkwoord of een werkwoordelijke uitdrukking. Bv. We genieten van een zalige vakantie.

8. Het voornaamwoord

8.1. Persoonlijk voornaamwoord - Verwijst naar een persoon, dier, plant,..   Bv. Zij geeft hem een dikke knuffel.

8.2. Bezittelijk voornaamwoord - Verwijst naar de bezitter   Bv. Dat is Abdul zijn fiets

8.3. Aanwijzend voornaamwoord - Duidt aan waar iets of iemand zich bevindt.   Bv. Die persoon is verdachte nummer 1 in de   onderzoek naar de moord op Yaren.

8.4. Vragend voornaamwoord - Als je info over iets of iemand wil krijgen.   Bv. Wie is het mooiste meisje in de klas van 3 ASO?

8.5. Wederkerend voornaamwoord - Verwijst naar het onderwerp van de zin.   Bv. Lotte wast zich